ECLI:NL:RBDHA:2025:9991

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL25.17113
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 3.106a, tweede en derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens internationale bescherming in Polen

Eiser heeft meerdere asielaanvragen in Nederland gedaan, waarvan de meest recente op 27 maart 2025. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op basis van Eurodac-gegevens die aantonen dat eiser sinds 15 december 2022 internationale bescherming in Polen heeft. Eiser betwist dit en stelt dat zijn beschermingsstatus in Polen is vervallen en dat de minister de bewijslast onterecht bij hem legt.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het Eurodac-resultaat actueel en betrouwbaar is. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij geen bescherming meer geniet in Polen, hetgeen hij niet heeft gedaan. De rechtbank wijst ook het bezwaar af dat de minister onvoldoende heeft getoetst aan artikel 3 EVRM Pro, omdat uit het besluit blijkt dat dit wel is gedaan en geen strijd is vastgesteld.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de vordering van eiser af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en griffier M.C. Drenten - Boon en is gepubliceerd op 6 juni 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag wegens internationale bescherming in Polen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17113

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel de minister de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser internationale bescherming in Polen heeft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis

2. Eiser heeft op 13 september 2013 voor de eerste keer in Nederland asiel aangevraagd, onder zijn alias, [naam]. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag. De gemachtigde van eiser heeft het tegen de afwijzing ingestelde beroep ingetrokken, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
3. Eiser heeft vervolgens op 13 juni 2017 nogmaals onder zijn alias asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser niet is verschenen voor het gehoor en hij met onbekende bestemming is vertrokken. Op 23 oktober 2017 en 5 januari 2022 heeft eiser opnieuw asielaanvragen gedaan. De minister heeft deze aanvragen buiten behandeling gesteld, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Procesverloop

4. Op 27 maart 2025 heeft eiser onderhavige asielaanvraag gedaan. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens informatie uit Eurodac heeft eiser namelijk sinds 15 december 2022 internationale bescherming in Polen.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Volmacht
7. De rechtbank beoordeelt allereerst ambtshalve of de gemachtigde van eiser gemachtigd is namens eiser op te treden in de beroepsprocedure. De gemachtigde heeft namelijk in de beroepsgronden en ter zitting aangegeven dat hij geen contact meer heeft met eiser en dat hij het bestreden besluit niet met hem heeft kunnen bespreken.
7.1.
Uit het dossier blijkt dat de Raad voor Rechtsbijstand de gemachtigde op 2 april 2025 heeft gekoppeld aan de zaak van eiser. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens eerder contact met eiser expliciet heeft besproken dat hij namens eiser beroep zal instellen tegen een eventuele afwijzing van de asielaanvraag. Eiser heeft de volmacht nadien niet ingetrokken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de gemachtigde gemachtigd is om beroep in te stellen namens eiser.
Internationale bescherming in Polen
8. Eiser voert aan dat uit de Eurodac registratie alleen blijkt dat eiser op 15 december 2022 internationale bescherming had in Polen. Deze registratie is volgens eiser geen actueel bewijs dat deze beschermingsstatus nog steeds geldt. Eiser stelt dat de status inmiddels is vervallen. Eiser vindt dat de minister de bewijslast ten onrechte bij hem legt. De minister had volgens eiser onderzoek moeten doen naar de actuele status van eiser. Eiser stelt verder dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst of overdracht naar Polen in strijd is artikel 3 van Pro het EVRM [1] .
9. De rechtbank overweegt als volgt. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming heeft. [2] De minister verklaart de aanvraag alleen niet-ontvankelijk als de lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 3 van Pro het Antifolterverdrag nakomt en de vreemdeling een zodanige band heeft met de lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. [3] Het is vaste rechtspraak dat van zo’n band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is of subsidiaire bescherming heeft. [4]
10. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit Eurodac blijkt dat eiser op 15 december 2022 in Polen internationale bescherming heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister zich op deze informatie baseren en hoefde hij geen nader onderzoek te doen. Het Eurodac resultaat dateert van 27 maart 2025 en is daarom voldoende actueel. Als uit Eurodac niet volgt dat de status is ingetrokken, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij in Polen toch geen internationale bescherming meer heeft. Eiser heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat niet van de informatie in Eurodac kan worden uitgegaan en dat hij in Polen geen internationale bescherming meer heeft. De enkele verklaring dat de status zou zijn beëindigd, is daarvoor niet voldoende. Eiser heeft deze verklaring niet onderbouwd of concreet gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarom terecht geoordeeld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij in Polen niet langer internationale bescherming heeft. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst of overdracht naar Polen in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat de minister dit heeft beoordeeld en dat terugkeer naar Polen volgens de minister geen strijd met artikel 3 van Pro het EVRM oplevert. De rechtbank is evenmin gebleken van strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.
Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:740).