Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn nareisaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 17 juni 2025 een beslistermijn van acht weken had gesteld. De minister heeft deze termijn niet nageleefd en ook geen besluit genomen binnen de verlengde termijn van maximaal zes maanden.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn bevatte. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer hij alsnog zal beslissen.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van twee weken op na verzending van deze uitspraak en verbindt daaraan een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, en wordt eiser vrijgesteld van griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen en sluit aan bij recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister wordt aangespoord om binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen om verdere dwangsommen te voorkomen.