De rechtbank Den Haag heeft op 17 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een besluit van de minister van Asiel en Migratie betreffende het familie- en gezinsleven van een vreemdeling. Na een eerdere tussenuitspraak waarin een gebrek in de belangenafweging werd vastgesteld, heeft verweerder het besluit hersteld door een nieuwe belangenafweging te maken.
De rechtbank toetst of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en of de belangenafweging een 'fair balance' vormt tussen het belang van het familie- en gezinsleven en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht minder gewicht heeft toegekend aan het gezinsleven, mede omdat eiseres en referente sinds 2014 niet meer samenwonen en onvoldoende bewijs is geleverd van regelmatige emotionele en financiële steun.
Verder acht de rechtbank het terecht dat verweerder het inkomen van referente heeft meegewogen op basis van objectieve Suwinet-gegevens en dat verweerder aannemelijk acht dat eiseres mogelijk ten laste zal komen van de openbare kas. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunten over banden met Senegal en Nederland, maar oordeelt dat de belangenafweging in zijn geheel een fair balance is.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand omdat het gebrek is hersteld. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.