Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10240

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL26.10397
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Zwitserland

Eiser, een Russische asielzoeker, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het kennelijk ongegrond. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland, dat inhoudt dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen zal nakomen, waaronder de bescherming tegen schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een dergelijke schending.

Ook is geen aanleiding om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag in Nederland te behandelen. Eiser's wantrouwen jegens Zwitserland en zijn onenigheid met het beleid ten aanzien van bepaalde groepen zijn onvoldoende om het besluit te wijzigen.

Ten slotte onderzoekt de rechtbank het risico op indirect refoulement niet, omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet is doorbroken. Het beroep wordt afgewezen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt afgewezen omdat Zwitserland verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10397

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Russische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.10398. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4.
De EU [2] heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [3] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland op
1 december 2025 bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek op 4 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling [5] heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ook ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [6] Dit betekent dat de minister er in beginsel vanuit mag gaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Zwitserland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [7] en artikel 4 van Pro het Handvest [8] . Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen daarmee. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in het geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [9]
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen waardoor hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro
het Handvest. Eiser heeft zijn stelling dat Zwitserland zich niet heeft gehouden en niet zal houden aan de internationale verplichtingen niet met (algemene) landeninformatie onderbouwd. De Zwitserse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Mocht eiser toch problemen ervaren met de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarvoor de autoriteiten van Zwitserland te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Zwitserse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
6.1.
Paragraaf C2/5. van de Vc [10] bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Dat eiser een wantrouwen heeft tegenover Zwitserland en het niet eens is met het door Zwitserland aan hem medegedeelde beleid ten aanzien van Poetin en seksuele minderheden, maakt dat oordeel niet anders.
Indirect refoulement
7. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Zwitserland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof [11] van 30 november 2023 [12] en de Afdeling van 12 juni 2024 [13] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5. en 5.1. is overwogen kan ten aanzien van Zwitserland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Zwitserland een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Europese Unie.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie de uitspraak van 24 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:265 en 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864.
7.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
8.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.Dit volgt uit het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
10.Vreemdelingencirculaire 2000.
11.Europese Hof van Justitie.
12.ECLI:EU:C:2023:934.