ECLI:NL:RBDHA:2026:1025

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
NL26.3205
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en verzoek schadevergoeding bij uitzetting naar Marokko

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, is op 14 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.

De rechtbank toetst of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf 23 december 2025, het moment van het sluiten van het vorige onderzoek. Eiser stelt dat hij niet aan documenten kan komen en dat het voeren van vertrekgesprekken geen zin heeft. Ook zou de Marokkaanse vertegenwoordiging niet reageren op de laissez-passer-aanvraag.

De rechtbank oordeelt dat er geen zicht ontbreekt op uitzetting naar Marokko. Er zijn geen nieuwe omstandigheden die dat zouden rechtvaardigen. Het tijdsverloop en het uitblijven van reactie van de Marokkaanse autoriteiten zijn onvoldoende om het ontbreken van zicht aan te nemen. Eiser heeft nagelaten zijn nationaliteit aan te tonen en frustreert daarmee de uitzetting. De duur van de aanvraag en het voortduren van de bewaring zijn aan hem toe te rekenen.

De ambtshalve toetsing bevestigt dat de maatregel rechtmatig is gebleven. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3205

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 14 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 22 januari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 23 december 2025.
4. Eiser stelt hij niet aan documenten kan komen, zoals hij ook heeft benoemd tijdens het vertrekgesprek. Het voeren van vertrekgesprekken heeft dan ook geen meerwaarde. Verder is niet te verwachten dat de Marokkaanse vertegenwoordiging zal reageren, nu de lp [3] -aanvraag op 17 november 2025 is verzonden en ook na de drie schriftelijke rappels geen reactie is gekomen. Het zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn ontbreekt.
5. De rechtbank overweegt allereerst dat in zijn algemeenheid het zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. [4] Eerder heeft de rechtbank al vastgesteld dat dat voor eiser persoonlijk niet anders is. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waardoor zicht op uitzetting naar Marokko nu wel zou ontbreken. Het enkele tijdsverloop sinds de sluiting van het vorige onderzoek is daarvoor onvoldoende. In hetgeen eiser aanvoert ziet de rechtbank verder geen aanleiding voor het oordeel dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag, ondanks het versturen van rappels, is daarvoor onvoldoende. Daarbij geldt dat de Marokkaanse autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat zij in het geval van eiser geen lp zullen afgeven. Ook is niet gebleken dat eiser enige poging heeft ondernomen om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het aan hem is om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting. Zoals in de uitspraak van 23 december 2025 is overwogen, is gebleken dat eiser in het bezit is van zijn nationale identiteitskaart. Deze heeft eiser nog altijd niet overgelegd. Daarmee frustreert hij de voortgang van zijn uitzetting. De duur van de lp-aanvraag, en daarmee het voortduren van zijn bewaring, is dan ook volledig aan hem toe te rekenen. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan ook niet worden gesteld dat geen zicht op uitzetting bestaat. [5]
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22337, en 23 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25019.
3.Laissez-passer.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2707.