ECLI:NL:RBDHA:2026:10303
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag Guinee-Bissause minderjarige wegens onvoldoende geloofwaardigheid en buitenschuldbeleid
Eiser, een minderjarige uit Guinee-Bissau, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat zijn eerdere aanvraag was afgewezen. Hij stelde bedreigd te worden door zijn oom en overhandigde documenten en een iMMO-rapport ter onderbouwing van zijn identiteit en psychische toestand.
De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de identiteit en het asielrelaas, en omdat eiser onvoldoende meewerkte aan het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV).
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de overgelegde documenten niet als voldoende bewijs van identiteit beschouwde, en dat het iMMO-rapport onvoldoende inzicht gaf in de mate waarin psychische problematiek het verklaringsvermogen beïnvloedde. Ook werd vastgesteld dat eiser onvoldoende medewerking verleende aan het onderzoek naar opvangmogelijkheden en het verkrijgen van reisdocumenten.
Verder concludeerde de rechtbank dat het recht op privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro niet zwaarder weegt dan het belang van de staat, mede omdat eiser geen rechtmatig verblijf had en onvoldoende binding met Nederland kon aantonen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de aanvraag definitief af.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en niet voldoen aan het buitenschuldbeleid AMV.