Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10314

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL26.19466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten omdat partijen geen zitting wensten. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en het besluit van de minister in stand blijft. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, dat inhoudt dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt en eisers niet in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU zal behandelen.

Eisers voerden aan dat het AIDA-rapport en hun persoonlijke ervaringen van discriminatie, onveiligheid en diefstal aantonen dat het vertrouwensbeginsel niet langer geldt. De rechtbank stelt echter dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om het vermoeden te weerleggen. De minister heeft gemotiveerd waarom deze bezwaren niet leiden tot een ander oordeel en verwees terecht naar de mogelijkheid om bescherming te vragen bij Franse autoriteiten.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eisers geen proceskostenvergoeding krijgen. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier N. Habibi. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19466

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser

[eiseres], v-nummer: [nummer 2], eiseres
mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam kind 1], v-nummer: [nummer 3]
[naam kind 2], v-nummer: [nummer 4]
samen: eisers
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek.
Kan ten aanzien van Frankrijk worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eisers betogen dat ten aanzien van Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij verwijzen in dit verband naar het AIDA-rapport over Frankrijk van 11 juni 2025, waaruit volgt dat Dublinclaimanten te maken krijgen met praktische en structurele problemen bij opvang, registratie en toegang tot voorzieningen. Verder voeren zij aan dat zij zich gedurende hun verblijf in Frankrijk onveilig hebben gevoeld, onder meer vanwege discriminatie op grond van hun Palestijnse en islamitische achtergrond, dat de echtgenote is lastiggevallen vanwege het dragen van een hoofddoek en dat zij zijn bestolen, hetgeen hun gevoel van onveiligheid heeft versterkt. De minister is in het bestreden besluit niet ingegaan op hun bezwaren tegen overdracht aan Frankrijk en heeft volstaan met enkel standaardoverwegingen.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de minister ten aanzien van Frankrijk in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [3] Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt en dat eiser bij overdracht niet in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zal worden behandeld. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat in hun geval niet van dit beginsel kan worden uitgegaan.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers hierin niet zijn geslaagd. De door eisers gestelde omstandigheden, waaronder hun gevoelens van onveiligheid, gestelde discriminatie, het lastigvallen van de echtgenote en dat zij zijn bestolen, heeft de minister niet ten onrechte onvoldoende geacht om aan te nemen dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eisers, indien zij problemen ondervinden, bescherming kunnen vragen bij de Franse autoriteiten. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de minister niet is ingegaan op hun bezwaren tegen de overdracht aan Frankrijk, volgt de rechtbank dit niet. De minister is ingegaan op de door eisers gestelde omstandigheden en heeft gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een ander oordeel. Ook de verwijzing naar het AIDA-rapport leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit dit rapport niet volgt dat sprake is van zodanige structurele tekortkomingen dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvragen in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.