ECLI:NL:RBDHA:2026:1037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
NL25.41248
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus-Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 4:7 AwbArt. 4:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buiten behandeling stellen opvolgende asielaanvraag wegens onvolledig formulier en niet-naleving informatieverzoeken

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 18 augustus 2025 een opvolgende asielaanvraag in. De minister stelde deze aanvraag op 26 augustus 2025 buiten behandeling omdat het aanvraagformulier onvolledig was ingevuld en eiser niet had gereageerd op verzoeken om essentiële informatie te verstrekken.

Eiser voerde aan dat het besluit onjuist was bekendgemaakt, waardoor zijn recht op een eerlijk proces en effectieve rechtsbescherming was geschonden. De rechtbank oordeelde echter dat een onjuiste bekendmaking niet leidt tot vernietiging van het besluit, omdat dit de totstandkoming niet aantast en eiser de mogelijkheid had om rechtsmiddelen aan te wenden.

Verder betwistte eiser dat het formulier onvolledig was en stelde dat zijn aanvraag inhoudelijk onderzocht had moeten worden vanwege nieuwe elementen over geweld in Nigeria. De rechtbank stelde vast dat het formulier niet volledig was ingediend en dat eiser onvoldoende had gereageerd op het verzoek om aanvulling. Ook was het horen van eiser niet verplicht bij buitenbehandelingstelling volgens de Procedurerichtlijn.

De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag terecht buiten behandeling had gesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41248

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van 21 januari 2026 tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het buiten behandeling stellen van eisers asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 augustus 2025 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere procedures
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser heeft in het verleden meerdere asielaanvragen in Nederland gedaan. In 2019 heeft eiser twee asielaanvragen in Nederland ingediend. Deze zijn beide niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de asielaanvragen van eiser. Omdat eiser hierna niet op tijd aan Italië is overgedragen, is Nederland alsnog verantwoordelijk geworden voor de asielaanvragen van eiser. Eiser heeft vervolgens in 2020 een derde asielaanvraag ingediend. De minister heeft die asielaanvraag met het besluit van 22 januari 2021 afgewezen als ongegrond, en het daartegen ingestelde beroep [1] en hoger beroep [2] van eiser zijn beide ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser in 2021, 2022 en 2024 nog drie asielaanvragen ingediend. Deze zijn alle buiten behandeling gesteld, omdat eiser het formulier voor opvolgende asielaanvragen (het M35-O-formulier) onvolledig had ingevuld.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft eisers asielaanvraag opnieuw buiten behandeling gesteld, omdat eiser heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag. [3] Eiser heeft het aanvraagformulier M35-O namelijk niet volledig en niet duidelijk ingevuld.
De bekendmaking van het bestreden besluit
5. Eiser betoogt dat de minister het bestreden besluit niet op de juiste wijze heeft bekendgemaakt, [4] wat moet leiden tot vernietiging. Het bestreden besluit is genomen op 26 augustus 2025, maar niet op dat moment geüpload in het advocatenportaal. Gemachtigde heeft daarom niet direct kennis kunnen nemen van het besluit, maar pas op 28 augustus 2025 om 13:00 uur, nadat hij met de hulplijn van de minister had gebeld en het besluit alsnog in het advocatenportaal is geüpload. Omdat het COa al wel over het besluit was ingelicht, is de opvang van eiser direct gestopt. Door de late en gebrekkige bekendmaking aan eiser en zijn gemachtigde is eiser belemmerd in de mogelijkheid om tijdig beroep in te stellen en om een voorlopige voorziening te vragen, zodat hij niet op straat terecht zou komen. Hierdoor is eisers recht op een eerlijk proces en effectieve rechtsbescherming geschonden. [5] Zijn gemachtigde werd vervolgens gedwongen om bezwaar te maken tegen het stoppen van de opvang door het COa, wat niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Eiser kwam door de onmiddellijke uitvoering van het besluit dus zonder opvang te zitten en in rechtsonzekerheid te verkeren.
5.1.
Deze beroepsgrond treft geen doel. Afgezien nog van de vraag of het bestreden besluit onjuist is bekendgemaakt, kan een onjuiste bekendmaking van het bestreden besluit niet leiden tot vernietiging daarvan. Bekendmaking van een besluit heeft namelijk betekenis voor de inwerkingtreding van dat besluit, [6] maar niet voor de totstandkoming daarvan. [7] Een onjuiste bekendmaking is immers een onregelmatigheid die zich voordoet ná het nemen van het besluit en doet dus niet af aan de totstandkoming daarvan. In het verlengde daarvan kan een onjuiste bekendmaking van een besluit niet leiden tot onrechtmatigheid en vernietiging daarvan. [8] Bovendien ziet de rechtbank niet in waarom eiser (nog) belang zou hebben bij een oordeel over deze beroepsgrond. Eiser heeft immers een verzoek om een voorlopige voorziening kunnen indienen. Dat verzoek is vervolgens – op verzoek van eiser – met spoed door de voorzieningenrechter behandeld, maar afgewezen. [9] Dat dit niet het resultaat is dat eiser met zijn verzoek beoogde, maakt dat niet anders. Het gaat er immers om of eiser de mogelijkheid heeft gehad om een rechtsmiddel aan te wenden, niet of eiser met dat rechtsmiddel ook het door hem gewenste resultaat heeft bereikt.
Heeft de minister de asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. In de eerste plaats betwist eiser dat het formulier onvolledig is ingediend. Eiser was immers in het bezit van het volledige formulier en zijn gemachtigde heeft het formulier met begeleidende brief per post aan de minister gezonden. Voor zover het formulier wel onvolledig is ingediend, mag dat niet tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag leiden. In de herhaalde asielaanvraag heeft eiser namelijk, met verwijzing naar landeninformatie en nieuwsartikelen, nieuwe elementen en bevindingen naar voren gebracht over de recente escalatie van cult-gerelateerd geweld in Nigeria en de concrete dreiging die hij persoonlijk loopt. Alleen al daarom rechtvaardigt de asielaanvraag van eiser een inhoudelijk onderzoek, en anders brengt de samenwerkingsverplichting die op de minister rust met zich dat de minister de aanvraag niet (meteen) afwijst, maar eiser eerst in de gelegenheid stelt om – zoals verzocht – zijn aanvraag aan te vullen. Daarnaast had de minister eiser moeten horen voordat hij de aanvraag buiten behandeling stelde. Uit de Awb en de Procedurerichtlijn volgt dat de vreemdeling in beginsel in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn asielaanvraag toe te lichten. [10] Van het horen van eiser mag alleen worden afgezien, als de asielaanvraag evident geen enkele relevante informatie bevat. Daarvan is in het geval van eiser, zoals hiervoor aangevoerd, geen sprake.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij de asielaanvraag buiten behandeling mocht stellen. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zij niet twijfelt aan het standpunt van de minister dat het aanvraagformulier in eerste instantie niet volledig is ingeleverd. In het dossier bevinden zich namelijk alleen de pagina’s 19 t/m 21 van het aanvraagformulier, een begeleidende brief en enkele bijlagen. Bovendien heeft eiser niet onderbouwd dat hij het volledige formulier bij de minister heeft ingeleverd of dat hij het volledige formulier per post aan de minister heeft nagestuurd. Aan eiser is in het voornemen vervolgens een termijn van een week geboden om het formulier alsnog compleet te maken. Eiser heeft hier kort voor het verstrijken van de termijn slechts op gereageerd met een verzoek om uitstel voor het indienen van een inhoudelijke zienswijze. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister in dat geval over mag gaan tot buitenbehandelingsstelling van de aanvraag. [11] Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser uitgelegd dat hij het formulier niet alsnog compleet had gemaakt, omdat hij het voornemen niet indringend had gelezen, en dus niet wist dat de aanvraag incompleet was. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser komt. Verder heeft de minister zich tijdens de zitting terecht op het standpunt gesteld dat hij eiser niet had hoeven horen over de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag. Uit de Procedurerichtlijn blijkt immers niet dat een vreemdeling ook moet worden gehoord als een asielaanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Als de vreemdeling niet alle benodigde informatie heeft verschaft om de aanvraag in behandeling te nemen, beschouwt de Procedurerichtlijn dat namelijk als het impliciet intrekken of afzien van de aanvraag. [12] Aan het horen van de vreemdeling wordt dan niet toegekomen. [13] Een hoorplicht blijkt evenmin uit de door eiser aangehaalde bepalingen uit de Awb, omdat deze slechts van toepassing zouden zijn indien de minister voornemens zou zijn de asielaanvraag af te wijzen op basis van gegevens over eiser die hij niet zelf heeft verstrekt.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag 25 februari 2021, zaaknummer NL21.1372 (niet gepubliceerd).
2.ABRvS 18 maart 2021, zaaknummer 202101448/1/V1 (niet gepubliceerd).
3.Zie hiervoor artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
4.Eiser wijst op artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en op paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
5.Hierbij wijst eiser op artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 47 van Pro het EU-Handvest.
6.Vergelijk artikel 3:40 van Pro de Awb.
7.ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4528, r.o. 6.1.
8.ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2817, r.o. 3.3.
9.Rb. Den Haag (zp Arnhem) (vzr.) 4 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16542.
10.Eiser wijst op artikel 4:7 en Pro artikel 4:8 van Pro de Awb.
11.ABRvS 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2549 en ABRvS 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:574.
12.Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn.
13.Artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn.