Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10428

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL25.51492, NL25.51493
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 6 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek bij overdracht minderjarige met PTSS in Dublinprocedure

Eisers, een moeder met haar minderjarige kinderen, vroegen asiel aan in Nederland. De minister van Asiel en Migratie weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Tsjechië verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening.

Eisers voerden aan dat overdracht naar Tsjechië zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheid van hun dochter met PTSS. De rechtbank oordeelde dat het Bureau Medische Advisering (BMA) de medische situatie voldoende had onderzocht en dat de overdracht met medische reisvoorwaarden geen schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.

Echter, de rechtbank stelde vast dat het belang van het kind, zoals vereist in artikel 6 van Pro de Dublinverordening, onvoldoende was betrokken in het besluit. De psychologische impact van de overdracht en de verstoring van beschermende factoren werden niet adequaat meegewogen, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en beval een nieuw besluit waarbij het belang van het kind zorgvuldig wordt meegewogen. Tevens werden proceskosten aan de zijde van de minister opgelegd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het belang van de minderjarige dochter met PTSS, en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.51492 (beroep) en NL25.51493 (voorlopige voorziening).
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], [V-nummer 1], eiseres en verzoekster, hierna: eiseresmede namens haar minderjarige kinderen:[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018, [V-nummer 2]; (dochter) en

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020, (zoon), [V-nummer 3];
gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1
Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Tsjechië daarvoor verantwoordelijk is.
1.2
Eisers hebben bij de rechtbank beroep (NL25.51492) ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL25.51493) te treffen.
1.3
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Buyssen, als waarnemer van haar gemachtigde. Verder was als tolk V. Bolt aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 3] 1993 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 6 augustus 2024, mede namens haar minderjarige kinderen, in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat Tsjechië volgens verweerder verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers. [1]

Wat vinden eisers in beroep?

3. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte hun beroep op het C.K. arrest [2] heeft verworpen. Eiseres is van mening dat overdracht naar Tsjechië een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering tot gevolg heeft voor de medische situatie van haar dochter. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar verschillende brieven van de behandelend sector, waaronder de huisarts, een psycholoog en een kindercoach. Eiseres stelt dat verweerder niet heeft beoordeeld wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) gaat hier onvoldoende op in en daarom mocht verweerder zijn beslissing niet op dit advies baseren. Ook stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte het verzoek om internationale bescherming niet onverplicht in behandeling heeft genomen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Ter verdere onderbouwing verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 16 oktober 2024. [3] Tot slot is eiseres van mening dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat de belangen van het kind niet in de weg staan aan overdracht naar Tsjechië.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Arrest C.K
4. Uit het arrest
C.K. tegen Sloveniëvolgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aannemelijk maken waartoe een overdracht zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
4.1
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met het BMA-advies de gevolgen van de overdracht op de gezondheidstoestand van de dochter van eiseres deugdelijk onderzocht op grond van de medische stukken die voorhanden waren. Verweerder mag van dat BMA-advies uitgaan, omdat het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat met het in achtnemen van de door BMA-arts vastgestelde reisvoorwaarden twijfel over het risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of 4 van het Handvest als gevolg van de overdracht wordt weggenomen. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de overdracht van eisers aan Tsjechië, met inachtneming van de medische reisvoorwaarden zoals geadviseerd in het BMA-advies, niet zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de dochter van eiseres. De rechtbank wijst in dit verband ter vergelijking op de Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2025, [4] waaruit moet worden afgeleid dat de vereisten uit het arrest C.K. in de Dublinprocedure met name zien op de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling en dat dit tevens bepalend is voor de reikwijdte van het BMA-advies. Voorts is van belang dat de medische behandeling die de dochter van eiseres behoeft, moet worden geacht aanwezig te zijn in Tsjechië. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van eisers op het arrest C.K. niet.
Belangen van het kind en bijzondere omstandigheden
5. De minderjarige dochter van eiseres is gediagnostiseerd met PTSS en wordt daarvoor behandeld. Uit de verklaringen van de psycholoog die haar eerder in 2025 heeft behandeld blijkt dat de eerdere wisselingen in omgeving hebben bijgedragen aan haar emotionele instabiliteit en haar gevoel van veiligheid hebben verstoord. Daarbij is zij angstig voor nieuwe veranderingen op dit gebied. De overdracht naar Tsjechië doorkruist de invloed van de in Nederland bestaande beschermende factoren, waaronder met name een stabiele behandelomgeving en consistente onderwijsdeelname. Waarschijnlijk zal dit haar welzijn negatief beïnvloeden en aanleiding kunnen geven tot een verhoogd risico op zelfbeschadiging, ontwikkelingsachterstand en langdurig psychisch trauma. De psycholoog acht het daarom noodzakelijk dat de dochter van eiseres omwille van haar emotionele welzijn en haar ontwikkeling in Nederland kan blijven.
5.1
Ondanks dat deze informatie gelet op het BMA-advies en het daarvoor geldende beoordelingsmoment, niet afdoet aan de overweging dat geen sprake is van een reëel risico dat de overdracht in strijd komt met artikel 3 van Pro het EVRM, zoals hiervoor onder 4.1 is weergegeven, is deze wel relevant om het belang van het kind als bedoeld in artikel 6 van Pro de Dublinverordening te bepalen. Op grond van dit artikel is het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige hierbij immers een uitdrukkelijk te betrekken factor. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit aspect niet kenbaar in het bestreden besluit heeft betrokken. Door enkel te wijzen op het feit dat de dochter van eiseres op medische gronden in staat moet worden geacht te reizen, het in het belang van de dochter is om bij eiseres te zijn en dat aannemelijk is dat de behandelmogelijkheden in Tsjechië gelijkwaardig zijn, valt immers niet uit te sluiten dat als het belang van het kind de eerste afweging vormt Nederland onder de genoemde omstandigheden desalniettemin het meest aangewezen land is om de behandeling van de dochter van eiseres voort te zetten en de asielaanvraag in behandeling te nemen. Daarbij dient het belang van de minderjarige dochter zorgvuldig in kaart te worden gebracht teneinde te kunnen bepalen of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Nu bovenstaande informatie daarbij niet is betrokken, is de beoordeling die verweerder in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening heeft gemaakt ondeugdelijk gemotiveerd.
5.2
Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande in strijd met artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen over de asielaanvraag van eisers en dat hij daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
7. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026 voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
8. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren. Omdat er, gelet op het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit, aanleiding was een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, zal de voorzieningenrechter verweerder ook voor dit verzoek veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van eisers te nemen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van K. el Mahsini, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en de uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld.
Voor zover deze uitspraak ziet op het verzoek om een voorlopige voorziening staat hiertegen geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.