Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar asielaanvraag van 9 september 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiseres gestelde termijn van twee weken alsnog heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij verwijst naar het '8+8 wekenmodel' zoals gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar overweegt dat in gevallen waarin de maximale termijn van 21 maanden wordt overschreden een kortere termijn passend is.
Daarom legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn op van acht weken na het verstrijken van de 21 maanden, zijnde uiterlijk 4 augustus 2026. Tevens legt zij een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor het geval de minister niet binnen deze termijn beslist.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.