ECLI:NL:RBDHA:2026:1059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL25.50204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000Paragraaf A3/6.1 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering adequate opvang minderjarige in Tsjaad

Eiser, een minderjarige uit Tsjaad behorend tot de Daza/Toubou bevolkingsgroep, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gegronde vrees voor vervolging en het ontbreken van adequate opvang in Tsjaad tijdens zijn minderjarigheid.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht niet de gewenste waarde hechtte aan verklaringen van FACT Frankrijk en eisers oom, omdat deze niet objectief en onvoldoende onderbouwd waren. Ook acht de rechtbank het referentiekader van eiser adequaat betrokken bij de beoordeling. De minister vond de verklaringen over problemen met de Tsjadische autoriteiten ongeloofwaardig vanwege inconsistenties en gebrek aan samenhang.

Belangrijk is dat de rechtbank vaststelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er tijdens de minderjarigheid van eiser sprake was van adequate opvang in Tsjaad. De zorgplicht van de moeder, die sinds het tweede levensjaar van eiser in Saoedi-Arabië woont, kan dit niet compenseren. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent adequate opvang tijdens minderjarigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50204

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.M. Holwerda),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister namelijk onvoldoende gemotiveerd dat er tijdens de minderjarigheid van eiser sprake was van adequate opvang in Tsjaad. Wel heeft de minister terecht niet de gewenste waarde aan de overgelegde verklaringen gehecht en is er voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Ook heeft de minister eisers problemen met de Tsjadische autoriteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een beschrijving van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Tsjadische nationaliteit en behoort tot de Daza/Toubou bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedatum] 2007. Eiser heeft van een sheikh te horen gekregen dat personen die banden hebben met Front for Change and Concord in Chad (FACT) op een lijst staan en de Tsjadische regering actief op zoek is naar mensen op deze lijst. Eiser zou zelf ook op deze lijst staan. De regering zou mensen oppakken en hun huizen doorzoeken in het noorden van Kanem. Uit voorzorg is eiser daarom naar een andere plek gereisd, waar hij ook een paspoort heeft aangevraagd. Vanuit daar is eiser naar Niger gereisd, maar weer terug gekeerd naar Tsjaad. Vervolgens is eiser naar Nederland gereisd. Eiser vreest bij terugkeer dat hij vanwege zijn etniciteit in de gevangenis zal belanden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst
Betrokkenheid van eisers familieleden bij FACT
Problemen met de Tsjadische regering.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Betrokkenheid van eisers familie bij FACT is geloofwaardig geacht door de minister. De minister stelt dat eisers betrokkenheid van zijn familieleden bij FACT echter geen aanleiding zijn om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. De minister heeft echter de problemen van eiser met de Tsjadische regering niet geloofwaardig bevonden. Eiser heeft zijn verklaringen over de problemen niet onderbouwd met objectieve documenten en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo werpt de minister tegen dat eiser niets concreet kon verklaren over de opsporingslijst waar hij op zou staan. Eiser heeft Tsjaad pas vier maanden later verlaten. In deze periode heeft hij geen problemen gehad. Ook heeft eiser zijn paspoort op legale wijze verkregen, ondanks hij naar eigen zeggen wordt gezocht door de autoriteiten en er een huiszoeking is geweest. Daarnaast wordt tegengeworpen dat eiser legaal is uitgereisd (en teruggereisd), terwijl hij wordt gezocht door de autoriteiten. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Bewijsstukken
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende de bewijsstukken heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser heeft namelijk een originele verklaring van de FACT afdeling in Frankrijk overgelegd als bewijs van de problemen die hij heeft met de Tsjadische regering en tevens een verklaring van eisers oom die in de Verenigde Staten woont. De minister stelt ten onrechte dat de verklaring van de FACT afdeling uit Frankrijk en eisers oom geen objectieve bronnen zijn. FACT is immers geen familie of bekende van eiser. De opsteller van de verklaring heeft geen persoonlijk belang bij het verkrijgen van een asielvergunning door eiser. Bovendien is de informatie verifieerbaar.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht niet de gewenste waarde gehecht aan de verklaring van FACT Frankrijk en de verklaring eisers oom. In de verklaring van FACT staat dat eiser de zoon is van een officier van FACT. Verder is opgenomen dat eisers vader eerst lid was van een verzetsbeweging in Soedan. FACT strijdt tegen onrecht en om een verandering in Tsjaad te brengen. Eisers vader overleed in 2023 tijdens een militaire operatie. In Tsjaad, telkens wanneer een familielid in opstand komt tegen het totalitaire regime van Idriss Deby Itno en dat van zijn zoon, wordt de rest van de familie opgespoord en vervolgd. 35 jaar leven de Tsjadiërs in pijn; het criminele regime van Mahamat Idriss Deby Itno en zijn clan arresteren, martelen en doden Tsjadiërs zonder enige straf. Ook spreekt de verklaring over een rapport van Amnesty International waarin zou staan dat het regime een terroristisch karakter heeft. Gelet op de activiteiten van eisers vader, zou eiser bij terugkeer gevaar lopen en hetzelfde lot ondergaan als de ouders en naaste familieleden van onze militairen die in het land zijn gebleven. Sommigen van hen zijn gearresteerd, gefolterd, vernederd en over anderen is tot op heden niets bekend, aldus de verklaring.
5.2.
De rechtbank is het eens met eiser dat FACT op zichzelf een onafhankelijke partij is en dat niet is gebleken dat zij baat hebben bij de verlening van een verblijfstatus aan eiser in Nederland. De verklaring is echter aangevraagd door de oom van eiser, waardoor de verklaring niet geheel onafhankelijk is en daarom niet als objectief kan worden beschouwd. Ook stelt de minister terecht dat daarbij niet uit de verklaring volgt dat eiser persoonlijk wordt vervolgd door de Tsjadische autoriteiten. De verklaring blijft vrij algemeen over de situatie van eiser. De minister hecht daarom terecht niet de gewenste waarde aan de verklaring van FACT. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar de verklaring van FACT Frankrijk. De verklaring van eisers oom is in lijn met zijn eigen verklaringen, maar kan niet als een dragend document worden beschouwd, aangezien het een subjectieve verklaring is. Deze kan hooguit een aanvullende rol spelen in de geloofwaardigheidstoets. De minister ziet beide documenten terecht als aanvullende documenten bij eisers verklaringen en zijn dan ook in samenhang met zijn overige verklaringen meegewogen.
Referentiekader
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn referentiekader niet heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. [1] Gelet op de jonge leeftijd, culturele achtergrond en de status van een sheikh, kon de minister niet van eiser verlangen dat hij de sheikh zou vragen om hem de lijst te laten zien. Eiser had geen reden om te twijfelen aan de boodschap van de sheikh. Dat eiser de sheikh persoonlijk kende, doet hieraan niet af.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht gesteld dat er voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft terecht tegengeworpen dat van eiser verwacht mag worden dat hij als zeventienjarige meer informatie vraagt over een document dat zo belangrijk is dat het ertoe leidt dat eiser alles wat hem bekend is, achterlaat. Eiser heeft verklaard dat hij van de sheikh heeft gehoord op deze lijst te staan, maar kan niet vertellen hoe deze lijst eruitzag, hoe de sheikh op de hoogte is geraakt van deze lijst, noch welke namen er op deze lijst staan. Dat eiser destijds zeventien jaar oud was en de sheikh een gezaghebbend persoon is, maakt dat niet anders. Naar eigen zeggen kende eiser de sheikh goed en is hij naar het huis van zijn vader gekomen om eiser te informeren over de lijst. Eiser heeft ook verklaard dat het leger op dat moment niet aanwezig was in het dorp. Gelet daarop wordt niet ingezien waarom er niet van eiser verwacht mag worden dat hij meer vragen stelde aan de sheikh over de lijst. Het is immers aan eiser om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een lijst staat en wordt gezocht door de Tsjadische autoriteiten. Hierin is eiser niet geslaagd, ook niet met de rest van zijn verklaringen.
Eisers problemen met de Tsjadische autoriteiten
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn problemen met de Tsjadische autoriteiten ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft hierover duidelijk verklaard. Eiser heeft bijvoorbeeld over zijn paspoort verklaard dat zijn oom een bemiddelaar die op het paspoortbureau werkt, heeft ingeschakeld bij het verkrijgen van het paspoort. Deze verklaring is niet betrokken bij de beoordeling. Ook heeft eiser in de correcties en aanvullingen aangegeven dat hij zich voor een periode van vier maanden heeft schuilgehouden. Ook tijdens het nader gehoor heeft eiser dit verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij is gevlucht en toen contact heeft opgenomen met zijn oom. Eisers oom heeft hem naar verschillende plekken gebracht en uiteindelijk heeft eiser zich in een dorp in Niger schuilgehouden. Over zijn uitreis heeft eiser verklaard dat hij met behulp van een reisagent is uitgereisd. Deze reisagent regelde het stempelen van het paspoort, waardoor eiser de auto niet heeft verlaten. Aannemelijk is dat door omkoping een stempel is verkregen bij de grensovergang. Hetzelfde geldt voor eisers terugreis vanuit Niger naar Tsjaad. Wat betreft de huiszoeking heeft eiser verklaard dat hij van zijn oma heeft gehoord dat na zijn vlucht een groep militairen in uniform naar hem heeft gevraagd. Gelet op de leeftijd van eiser en het gegeven dat de huiszoeking plaatsvond na zijn vlucht kon niet worden verlangd dat eiser hierover meer gegevens, zoals het exacte tijdstip en aantal militairen, navraagt aan zijn oma.
7.1.
Eiser heeft dit asielmotief onderbouwd door een verklaring van FACT Frankrijk en een verklaring van zijn oom te overleggen. Deze stukken zijn onder 5.1 en 5.2 van deze uitspraak besproken. Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verklaringen van eiser over zijn problemen met de Tsjadische regering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
7.3.
Wat betreft de verklaringen over het paspoort van eiser stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daarover wisselend heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij het paspoort via officiële weg heeft verkregen, ondanks dat hij wordt gezocht door de autoriteiten. Daarna geeft eiser in de correcties aan dat hij het paspoort door middel van bemiddeling heeft verkregen. Hierbij geeft eiser geen details. Deze verklaringen rijmen niet met elkaar. Ook geeft eiser aan dat hij zelf niet aanwezig was bij de aanvraag van het paspoort, maar dat zijn oom dit heeft geregeld en hij slechts zijn vingerafdrukken heeft afgestaan. Eiser heeft niet kunnen toelichten hoe het mogelijk is dat hij zonder problemen bij de autoriteiten een paspoort heeft kunnen aanvragen, terwijl hij tegelijkertijd aanwezig moest zijn voor het afgeven van zijn vingerafdrukken. De minister stelt niet ten onrechte dat de verklaringen dat eiser een paspoort kon aanvragen, terwijl hij wordt gezocht door de autoriteiten, niet met elkaar rijmen.
7.4.
Ten aanzien van de verklaring dat eiser zich heeft schuilgehouden voor vier maanden stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daarover ongerijmd heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij in april 2024 erachter is gekomen dat hij op een lijst staat en wordt gezocht door de autoriteiten. Vier maanden na dit nieuws heeft hij Tsjaad verlaten. Gedurende deze periode heeft eiser naar eigen zeggen geen problemen gehad. [2] Dat eiser zich deze vier maanden heeft verscholen, heeft hij niet verklaard tijdens de gehoren. De minister hecht aan deze aanvulling terecht niet de gewenste waarde aangezien het feit dat eiser dit pas aandraagt in de correcties. Daarbij heeft hij niet onderbouwd waarom hij deze verklaringen niet tijdens het gehoor heeft gedaan.. Eiser heeft tijdens de gehoren verklaard dat hij op het moment van het aanvragen van het paspoort ondergedoken zat, maar dat is wat anders dan dat hij zich vier maanden lang heeft schuilhouden.
7.5.
Wat betreft de verklaringen over de eisers uitreis oordeelt de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat deze ongerijmd zijn. Eiser heeft verklaard Tsjaad te hebben verlaten via de grensplaats Tugru, waarbij zijn paspoort is gestempeld. Eiser is met de auto de grens gepasseerd en heeft zijn paspoort laten zien. Eisers vertrek uit Tsjaad is daardoor formeel geregistreerd. [3] Dat eiser op deze wijze Tsjaad heeft verlaten strookt niet met de verklaring dat eiser wordt gezocht door de autoriteiten. Dat er sprake was van omkoping om een stempel te krijgen, is niet tijdens het gehoor over verklaard en bovendien niet nader toegelicht. Ook het gegeven dat gebruik is gemaakt van een reisagent neemt niet weg dat eiser Tsjaad is uitgereisd met zijn eigen paspoort dat is afgestempeld. Ook over de terugreis vanuit Niger stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat het opmerkelijk is dat eiser op deze wijze terug naar Tsjaad kon reizen terwijl hij wordt gezocht. De verklaring dat een reisagent eisers paspoort zou hebben laten bestempelen en de reisagent daarvoor geld heeft betaald, neemt niet weg dat eiser onder zijn eigen naam is teruggekeerd naar Tsjaad.
7.6.
Tot slot stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over de huiszoeking bij zijn oma thuis vaag zijn. Eiser heeft verklaard dat zijn oma hem vertelde dat er één of twee dagen na zijn vertrek een huiszoeking bij hem thuis heeft plaatsgevonden. Hierbij zouden meerdere militairen in uniform aanwezig zijn geweest die navraag deden over eiser. Eiser heeft geen informatie over de reden van de huiszoeking en geen details kunnen geven over het exacte tijdstip, het aantal militairen of hun verdere handelingen. Het enkele feit dat eiser een jongere leeftijd had ten tijde van het telefoongesprek, maakt niet dat er niet van hem verwacht mag worden dat hij om verdere informatie vraagt. Zeker nu eiser op dat moment nog in Tsjaad verbleef en deze informatie relevant was voor hem. Niet is gebleken is dat eiser de mogelijkheid niet heeft gehad om de vraag te stellen.
Politieke overtuiging en de zwaarwegendheid daarvan
8. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Eiser is namelijk FACT sympathisant. Eisers neef is door zijn sympathieën gevangengenomen en zijn oom is hierdoor gevlucht naar de Verenigde Staten. De minister is voorbij gegaan aan algemene informatie over de situatie in Tsjaad en de verklaring van FACT Frankrijk. [4] Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard over FACT en dat zij worden gezien als rebellen en opposanten. Vanwege zijn afkomst en omdat hij een lange tijd in het buitenland verblijft wordt hem deze politieke overtuiging toegedicht.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Voorop wordt gesteld dat de minister aanneemt dat eisers familieleden betrokken zijn bij FACT. Ook wordt door de minister niet betwist dat eiser FACT sympathisant is. Eiser heeft met zijn verklaringen echter niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk in de belangstelling staat van de Tsjadische autoriteiten. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij zijn hele leven zonder problemen met de autoriteiten in Tsjaad heeft gewoond. Uit het door eiser aangehaalde rapport volgt ook niet dat familieleden van FACT strijders worden vervolgd. Wel wordt er omschreven dat strijders van FACT worden vervolgd. Eiser heeft verklaard dat hij geen lid is geweest van FACT. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij wordt vervolgd vanwege de betrokkenheid bij FACT van zijn oom en vader. Dat eiser door zijn herkomst en etniciteit in verband wordt gebracht met FACT is ook niet aannemelijk gemaakt door middel van zijn verklaringen. Niet is gebleken uit openbare informatie dat personen uit het noorden van Kanem met de Daza-etniciteit systematisch worden vervolgd door de Tsjadische autoriteiten vanwege vermeende banden met FACT. Verder heeft eiser niet onderbouwd dat hij in de negatieve belangstelling zou staan vanwege langdurig verblijf in het buitenland. Het enkel stellen dat eiser een politieke overtuiging toegedicht zou worden vanwege zijn afkomst en langdurig verblijf in het buitenland, is onvoldoende.
Buitenschuldbeleid alleenstaande minderjarige vluchteling (AMV)
9. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte geen AMV buitenschuldvergunning heeft verleend. Dat eiser bij zijn moeder kan verblijven, is onjuist. De enkele zorgplicht kan op zichzelf niet leiden tot adequate opvang, des te meer nu eisers moeder niet in Tsjaad verblijft. [5]
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat ondanks eisers moeder woonachtig is in Saoedi-Arabië en niet in Tsjaad, zijn moeder een zorgplicht draagt. Ook indien ouders in het buitenland verblijven, hebben zij immers de zorgplicht over hun kinderen en worden zij geacht zorg te dragen voor hun kind. Uit vaste rechtspraak volgt volgens de minister dat de zorgplicht van ouders voor minderjarige kinderen met zich brengt dat zij er zorg voor dragen dat op enigerlei wijze opvang voor de betrokken vreemdeling in het land van herkomst aanwezig is. Eisers moeder is gelet op deze zorgplicht dan ook verantwoordelijk om te zorgen voor adequate opvang in Tsjaad, aldus de minister.
9.2.
Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie [6] en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 2022 [7] volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.
9.3.
Verder volgt uit de uitspraken van de Afdeling dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek naar adequate opvang tijdig had kunnen worden afgerond, zal de minister moeten duiden of en zo ja, op welke wijze aan de vreemdeling een verblijfsrecht volgens het AMV-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen, wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid en of alsnog een terugkeerbesluit moet worden genomen. Dit kan vervolgens door de vreemdeling ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.
9.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van de aanvraag op 10 november 2024 minderjarig was en op [geboortedatum] 2025 meerderjarig is geworden. Vaststaat dat niet daarvoor al is vastgesteld of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is. De minister heeft, gelet op paragraaf A3/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), onderzoek gedaan of er adequate opvang is in Tsjaad voor de periode van eisers minderjarigheid. De rechtbank is het met de minister eens dat hij tijdens het gehoor vragen heeft gesteld aan eiser in het kader van adequate opvang. Uit het onderzoek blijkt dat eisers vader zorg droeg voor eiser tot zijn overlijden in 2023. Daarna heeft eisers oom van zijn moederkant voor hem gezorgd. Met hem heeft eiser geen contact meer. Ook is in het kader van adequate opvang gevraagd of eiser nog familieleden in Tsjaad heeft wonen. [8] Ook is gebleken dat eisers moeder is verhuisd naar Saoedi-Arabië toen hij twee jaar oud was. Zij woont in Jeddah en eiser spreekt haar telefonisch. De minister heeft gevraagd waar zijn moeder precies woont in Saoedi-Arabië, wat haar telefoonnummer is en of eiser contact met haar heeft. In Tsjaad is er niemand die voor hem kan zorgen. De minister concludeert uit het gedane onderzoek, [9] dat eiser niet in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning, omdat zijn moeder verantwoordelijk is voor hem en voor hem adequate opvang moet regelen in Tsjaad.
9.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat er gedurende de periode van minderjarigheid sprake was van adequate opvang in Tsjaad. Uit het informatiebericht (IB) 2025/13 volgt dat er sprake is van adequate opvang indien blijkt dat de ouders die eerder zorg hebben gedragen voor het kind bereid zijn zorg te gaan dragen voor het kind, dan wel op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn. [10] Dit is niet het geval in onderhavige situatie. Eisers vader had tot zijn overlijden namelijk de zorg over eiser in Tsjaad. Eisers moeder is verhuisd naar Saoedi-Arabië toen hij twee jaar oud was. Zij verblijft dus niet in het land van herkomst of terugkeer. Eiser kan ook niet haar concrete adres in Saoedi-Arabië noemen of specifieke informatie geven over de locatie waar zij woont. Deze omstandigheden houden in dat eiser geen ouders heeft in Tsjaad die voor hem kunnen zorgen. Eiser spreekt zijn moeder verder alleen telefonisch. Hierdoor kan de minister in dit geval niet volstaan met de verwijzing naar de zorgplicht van eisers moeder. Naar het oordeel van de rechtbank wordt daarmee te veel gewicht gehecht aan deze zorgplicht van de moeder die sinds eiser twee jaar oud was niet meer voor hem heeft gezorgd of samen met hem heeft gewoond. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op deze omstandigheden niet worden gesteld dat sprake is van adequate opvang in Tsjaad.
9.6.
Gelet op bovenstaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van adequate opvang in Tsjaad tijdens de minderjarigheid. Uit het IB 2025/13 volgt als niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van adequate opvang tijdens de minderjarigheid, de minister inzichtelijk moet maken waarom het onderzoek naar adequate opvang niet was afgerond ten tijde van de minderjarigheid van de AMV. Hierbij worden meegewogen de leeftijd van de AMV ten tijde van de asielaanvraag, de duur van de asielprocedure en de duur van het onderzoek. [11] Nu dit niet is gedaan, is er ook hierdoor sprake van een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het ligt namelijk op de weg van de minister om alsnog deugdelijk te motiveren dat er sprake is van adequate opvang in Tsjaad tijdens de minderjarigheid van eiser..
10.1.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Informatiebericht 2024/6.
2.Pagina 15 van het nader gehoor.
3.Pagina 11 en 12 van het aanmeldgehoor.
4.Eiser verwijst naar UK Home Office, Country Policy and Information Note Chad: Opposition to the State, maart 2024.
5.Rechtbank Arnhem 21 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17428; Rechtbank Amsterdam 8 juni 2023, NL23.11835 en NL23.11836; Rechtbank Utrecht 13 september 2023,
6.Arrest van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
8.Pagina 21 van het nader gehoor.
9.Paragraaf A3/6.1 van de Vc 2000.
10.IB 2025/13, paragraaf 3.1.2.
11.IB 2025/13, paragraaf 3.1.4.