Eiser, een minderjarige uit Tsjaad behorend tot de Daza/Toubou bevolkingsgroep, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gegronde vrees voor vervolging en het ontbreken van adequate opvang in Tsjaad tijdens zijn minderjarigheid.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht niet de gewenste waarde hechtte aan verklaringen van FACT Frankrijk en eisers oom, omdat deze niet objectief en onvoldoende onderbouwd waren. Ook acht de rechtbank het referentiekader van eiser adequaat betrokken bij de beoordeling. De minister vond de verklaringen over problemen met de Tsjadische autoriteiten ongeloofwaardig vanwege inconsistenties en gebrek aan samenhang.
Belangrijk is dat de rechtbank vaststelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er tijdens de minderjarigheid van eiser sprake was van adequate opvang in Tsjaad. De zorgplicht van de moeder, die sinds het tweede levensjaar van eiser in Saoedi-Arabië woont, kan dit niet compenseren. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.