ECLI:NL:RBDHA:2026:1065

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL25.3165
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaan met problemen door cultgroep Black Axe

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een Nigeriaanse eiser, die problemen ondervond door de cultgroep Black Axe. De rechtbank heeft de afwijzing van de asielaanvraag beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden van de eiser. De rechtbank concludeert dat de afwijzing een motiveringsgebrek vertoont, maar laat de rechtsgevolgen in stand. De eiser had zijn aanvraag ingediend na problemen met de Black Axe en de vermissing van zijn ex-partner. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag afgewezen, omdat de asielmotieven niet geloofwaardig werden geacht. De rechtbank oordeelt dat de minister de geloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser niet voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het besluit van de minister, maar laat de afwijzing van de asielaanvraag in stand, omdat de conclusie van de minister dat de verklaringen van de eiser geen samenhangend geheel vormen, niet onjuist is. De rechtbank wijst ook op de noodzaak van een individuele beoordeling van asielaanvragen en de toepassing van de Werkinstructie 2024/6. De eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,00 toegewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J. Sánchez Rhemrev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag een motiveringsgebrek bevat. Het besluit wordt daarom vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven wel in stand. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag blijft staan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1985. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R.A. Osman als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Nigeria verlaten vanwege problemen met de cultgroep Black Axe. Ook in Europa heeft eiser nog problemen ondervonden met de Black Axe. Daarnaast had eiser problemen als gevolg van de vermissing van zijn ex-partner en werd eiser gediscrimineerd vanwege zijn etniciteit.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen met de cult Black Axe;
- Problemen door de vermissing van eisers ex-partner; en
- Discriminatie vanwege de etniciteit van eiser.
8. De minister is van mening dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met de Black Axe en de problemen door de vermissing van de ex-partner van eiser vindt de minister niet geloofwaardig. Ook vindt de minister dat het niet geloofwaardig is dat eiser is gediscrimineerd vanwege zijn etniciteit. Eiser heeft deze asielmotieven namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Daarnaast is de minister van oordeel dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend terwijl hij daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister is daarom van mening dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Ook komt eiser niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Tot slot legt de minister aan eiser een terugkeerbesluit op.

Werkinstructie 2024/6

9. Eiseres voert aan dat de minister met de toepassing van Werkinstructie (WI) 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling, een onjuiste en onvolledige geloofwaardigheidsbeoordeling heeft uitgevoerd. De minister beschouwt artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) als cumulatieve voorwaarden, terwijl de beoordelingselementen in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NLRBDHA:2025:139). De minister heeft in zijn beoordeling uitsluitend de elementen volgend uit artikel 4, vijfde lid, onder c en e van de Kwalificatierichtlijn betrokken, waardoor de beoordeling onvolledig en onevenwichtig is.
10. De rechtbank overweegt als volgt. De voorwaarden die volgen uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, spelen niet bij elke beoordeling van alle asielrelazen een rol. Het is namelijk niet van belang als de vreemdeling bewijs heeft aangedragen van zijn volledige asielrelaas. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de vijf voorwaarden die volgen uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, cumulatieve voorwaarden zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:12, onder 38). Het niet voldoen aan één van die voorwaarden zou dus in beginsel kunnen volstaan om een vreemdeling niet het voordeel van de twijfel te geven ten aanzien van verklaringen waarvoor bewijsmiddelen ontbreken en om het asielmotief ongeloofwaardig te achten. De minister moet een asielaanvraag echter altijd op individuele basis beoordelen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met alle relevante feiten. Ook is in WI 2024/6 vermeld dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid alle feiten en omstandigheden worden betrokken.
11. Daarnaast heeft deze rechtbank en zittingsplaats op 10 juni 2025 uitspraak gedaan over WI 2024/6 (ECLI:NL:RBDHA:2025:10057). De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in deze uitspraak overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat de toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest.
12. De rechtbank zal dus in deze asielzaak van eiser, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden, toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en of voldoende is gemotiveerd waarom het asielrelaas (gedeeltelijk) ongeloofwaardig is. Voor zover eiser in beroep heeft aangevoerd dat toepassing van WI 2024/6 per definitie in strijd is met Unierecht, volgt de rechtbank eiseres daarin dus niet.

De tegenwerping van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw

13. Eiser betoogt verder dat de minister een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Eiser wijst erop dat volgens de Engelse en Franse taalversie van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn wordt gesproken over verklaringen die ‘coherent en plausibel’ moeten zijn, terwijl het volgens de Nederlandse taalversie gaat om ‘samenhangende en aannemelijke’ verklaringen. Eiser wijst ook op het EUAA-rapport ‘Judicial analysis on evidence and credibility in the context of the Common European Asylum System’ van 17 februari 2023. Eiser voert aan dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom zijn relaas niet plausibel is en ook niet waarom hetgeen hij heeft verklaard in strijd is met algemene bronnen. De tegenwerping van tegenstrijdige stellingen ten opzichte van een eerder, niet met waarborgen omkleed, gehoor bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) past niet binnen deze beoordeling.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de woorden ‘samenhangend’ en ‘aannemelijk’ in de Nederlandse taalversie geen andere betekenis hebben dan de in andere taalversies opgenomen woorden ‘coherent’ en ‘plausibel’. Volgens gangbaar spraakgebruik hebben die woorden dezelfde betekenis. Verder volgt uit het EUAA-rapport dat de minister in het kader van deze bepaling mag betrekken dat verklaringen begrijpelijk moeten zijn en een zekere logica moeten hebben in de context van de persoonlijke situatie van de betrokkene en de algemene situatie.1 De rechtbank is van oordeel dat de minister dit ook op deze wijze in de besluitvorming heeft beoordeeld. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat de verklaringen van eiser met betrekking tot de Black Axe in algemene zin niet stroken met het Algemeen Ambtsbericht (AAB) van Nigeria van december 2009, en dat eisers verklaringen over wat er feitelijk is gebeurd dat niet kunnen compenseren nu eiser daar maar weinig precies over weet te verklaren. Zo heeft eiser bijvoorbeeld tijdens het nader gehoor verklaard: “
Iedereen behoort tot deze cult. Iedereen, docenten, politie, iedereen is betrokken bij de Black Axe. Je weet niet waar je naartoe moet gaan om te klagen” (pagina 14). Deze verklaringen zijn strijdig met hetgeen volgt uit het AAB december 2009. Hieruit volgt dat het om studentengenootschappen gaat en dat slechts een klein deel van de studenten in Nigeria is aangesloten bij een cultgroep zoals de Black Axe. Ook volgt niet uit het AAB dat een groot deel van de docenten en de politie bij de cult zijn aangesloten. Verder heeft de minister mogen overwegen dat de verklaringen van eiser over de problemen die hij zou hebben ondervonden in Italië door de Black Axe, oppervlakkig en algemeen zijn. Zo heeft eiser geantwoord, op de vraag hoe eiser weet dat de Black Axe achter het incident in de nachtclub zat: “
Omdat ik in de stad verbleef waar Black Axe mensen waren. Ze wisten heel goed dat ik degene was die nog niet de opdracht vervuld had terwijl ik wel een lid was. Ze hadden allemaal contact met elkaar” (nader gehoor, pagina 25). Daarnaast heeft de minister, anders dan eiser stelt, mogen betrekken dat eiser tijdens het gehoor met de AVIM als reden voor zijn asielaanvraag niets heeft gezegd over de Black Axe. Eiser heeft tijdens dat verhoor uit eigen beweging een toelichting gegeven op de reden van zijn vertrek uit Nigeria die afwijkt van wat hij later heeft verklaard en waarin hij niets heeft gezegd over de Black Axe. Volgens vaste jurisprudentie moet de minister namelijk, in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, alle door een vreemdeling afgelegde verklaringen, dus ook de tegenover het AVIM afgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien.2. De beroepsgrond slaagt niet.
1. P. 128.
De tegenwerping van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw
15. Eiser voert aan dat de late melding geen grond op zich kan zijn voor een afwijzing. De achtergrond van de bepaling is gelegen in de aanname dat iemand die bescherming nodig heeft deze ook normaliter zo snel mogelijk zoekt. Omdat er sprake was van een noodgeval – te weten de bevalling van zijn partner – heeft eiser, met medeweten van de Nederlandse Staat, afgeweken van het melden binnen 48 uur. Eiser voelde zich feitelijk beschermd door verblijf in de opvang.
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom de late aanmelding van eiser in [locatie] afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiser. Op 23 december 2023 is eiser Nederland ingereisd. Eiser heeft verklaard dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) contact met hem heeft opgenomen, omdat de partner van eiser zou gaan bevallen. Eiser is hierna direct naar het asielzoekerscentrum (AZC) te [plaats] gegaan waar zijn partner verbleef, om haar bij te staan bij de bevalling van hun dochter op [geboortedatum 2] 2022. Op 6 februari 2023 heeft eiser zich uiteindelijk gemeld bij [locatie] waar hij zijn asielaanvraag heeft gedaan. Eiser heeft dus met medeweten van het COa gedurende deze periode verbleven in het AZC, waarbij hij de noodzaak en urgentie om direct om bescherming te vragen minder heeft gevoeld, nu hij immers zelf al verbleef in een AZC. Onder deze omstandigheden is het voor de rechtbank moeilijk navolgbaar waarom er
hierdoorbij de minister twijfel is ontstaan aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiser. Ook heeft de minister dit tijdens de zitting onvoldoende kunnen motiveren en heeft de minister er enkel op gewezen dat een vreemdeling zich in beginsel binnen 48 uur dient te melden en dat melden na een maand, te laat is. Ook heeft de minister de betekenis van de tegenwerping gerelativeerd door op te merken dat het “slecht denkbaar is dat een late melding
op zicheen grond kan zijn voor afwijzing”. Het bestreden besluit bevat hiermee een motiveringsgebrek.
2 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459.
17. Het bestreden besluit komt op grond van het voorgaande voor vernietiging in aanmerking. Met verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven aangezien de afwijzing van eisers asielaanvraag mede – en in essentie – is gebaseerd op de conclusie dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Die conclusie van de minister is, zoals hiervoor is overwogen, niet onjuist en kan verweerders besluit dragen dat de asielaanvraag niet voor verlening in aanmerking komt.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigd daarom het bestreden besluit, maar ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen. De minister mocht eisers asielaanvraag afwijzen.
19. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast €1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met waarde per punt van €934,00 en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 17 januari 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.