ECLI:NL:RBDHA:2026:1066

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2119
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 96, derde lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De minister van Asiel en Migratie heeft op 29 september 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is eerder door de rechtbank getoetst en geacht rechtmatig te zijn tot 8 december 2025. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank besloot het onderzoek zonder zitting te sluiten, omdat het horen van eiser niet noodzakelijk was. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting en dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije, mede omdat de minister geen actie had ondernomen op informatie over eigendommen van eiser in Frankrijk.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld door herhaaldelijk contact te zoeken met de Algerijnse autoriteiten en een vertrekgesprek te voeren. Het ontbreken van actie op de informatie over eigendommen was niet relevant, aangezien het de verantwoordelijkheid van eiser is om contact te onderhouden met zijn familie.

Verder concludeerde de rechtbank dat er geen reden was om aan te nemen dat het laissez-passer niet zou worden verstrekt en dat eiser onvoldoende inspanningen leverde voor zijn vertrek. De ambtshalve toets bevestigde dat de maatregel rechtmatig bleef. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2119

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 29 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 oktober 2025. [1] De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 november 2025 beslist op het eerste vervolgberoep [2] en in het tweede vervolgberoep is op 15 december 2025 uitspraak gedaan. [3]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 januari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [4]

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 8 december 2025.
Geen zitting
2. Eiser heeft verzocht om gehoord te worden op zitting. De rechtbank heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is namelijk in dit geval niet nodig. De rechtbank heeft op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep. Daarnaast is het horen van eiser ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. In het vertrekgesprek van 29 december 2025 heeft eiser namelijk aangegeven dat zijn spullen nog in Frankrijk bij zijn familie liggen en hij hen alleen via Facebook kan bereiken. De minister heeft niets met deze informatie gedaan.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 17 december 2025 en 8 januari 2026 schriftelijk te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer (lp) en het voeren van een vertrekgesprek op 29 december 2025. Dat de minister niets heeft gedaan met de informatie van eiser over zijn spullen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hieruit volgt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Het is immers de verantwoordelijkheid van eiser om contact op te (laten) nemen met zijn familie voor zijn spullen.
Ontbreekt zicht op uitzetting?
4. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Op de lp-aanvraag is namelijk nog niet gereageerd en uit het dossier blijkt ook niet dat binnen redelijke termijn een lp verstrekt zal worden. Eiser is ook nog niet gepresenteerd.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. [5] Eiser maakt niet aannemelijk waarom zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De lp-aanvraag is op 3 oktober 2025 ingediend en de minister heeft voor het laatst op 8 januari 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. De autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd, maar dat betekent niet dat geen lp zal worden verstrekt. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Dat eiser nog niet gepresenteerd is, maakt dit oordeel niet anders. Daarbij komt dat op eiser ook een inspanningsverplichting rust. Uit de vertrekgesprekken blijkt niet dat eiser hieraan voldoet. Eiser heeft eerder, in het vertrekgesprek van 28 november 2025, aangegeven niets te willen doen vanuit bewaring en in het vertrekgesprek van 29 december 2025 verklaart eiser dat hij niets kan doen, maar zal meewerken indien een lp wordt afgegeven. Eiser dient zich echter ook voordat een lp afgegeven is, in te spannen voor zijn vertrek.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19178.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21968.
3.Rb. Den Haag, zp. Arnhem. 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24113.
4.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
5.Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september