ECLI:NL:RBDHA:2026:10737
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang in Ziektewet-uitkeringszaak
Verzoekster heeft een herhaald verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het UWV dat zij vanaf 2 april 2025 geen recht heeft op een Ziektewet-uitkering. Zij verzocht om een voorschot op de uitkering totdat in de bodemprocedure is beslist. De voorzieningenrechter stelt vast dat het eerdere verzoek reeds op 12 februari 2026 is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Verzoekster voert aan dat haar financiële situatie is verslechterd door oplopende schulden, verslechterende gezondheid en dreigende uithuiszetting, en dat zij zich op 2 maart 2026 opnieuw heeft ziekgemeld bij het UWV. Zij stelt dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie die een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de nieuwe stukken slechts een voortzetting van de betalingsachterstand aantonen en dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij geen recht heeft op een bijstandsuitkering, wat een reële optie is om het bestaansminimum te waarborgen. Er is geen sprake van een belangrijke wijziging van feiten of ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak.
Daarom ontbreekt het spoedeisend belang en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster hoeft wegens betalingsonmacht het griffierecht niet te betalen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.