ECLI:NL:RBDHA:2026:10776
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring en uitleg arrest Aroja
De minister heeft op 23 februari 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld en de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring getoetst.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 19 maart 2026 waarin de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden. De kern van het geschil betreft de uitleg van het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat voor de berekening van de maximale termijn van zes maanden alle perioden van bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn moeten worden opgeteld. Perioden van bewaring op andere grondslagen, zoals de Opvangrichtlijn, tellen niet mee.
De rechtbank concludeert dat de maatregel op grond van artikel 59b Vw (Opvangrichtlijn) niet meetelt voor de maximale termijn en dat de bewaring op 23 februari 2026 nog niet onrechtmatig was. Verder oordeelt de rechtbank dat de gronden voor de maatregel standhouden, dat er geen zicht op uitzetting vereist is tijdens een asielprocedure en dat de minister niet verplicht is tot voortvarende handelingen in die fase.
De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.