Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10801

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
12120225
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 lid 1 BWArt. 7:653 lid 3 sub b BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing concurrentiebeding wegens onvoldoende belang werkgever

De werknemer trad in dienst bij Fleet Robotics met een concurrentiebeding dat na omzetting van de arbeidsovereenkomst naar onbepaalde tijd opnieuw werd overeengekomen. Na beëindiging van het dienstverband trad de werknemer in dienst bij PRE-GO, een bedrijf dat onderwaterinspecties uitvoert en door Fleet Robotics als concurrent wordt beschouwd.

Fleet Robotics vorderde nakoming van het concurrentiebeding en staking van werkzaamheden, terwijl de werknemer schorsing van het beding vorderde. De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding geldig is en dat PRE-GO en Fleet Robotics concurrerende ondernemingen zijn, maar dat Fleet Robotics onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer bijzondere technische kennis heeft die bescherming via het beding rechtvaardigt.

Daarom is onvoldoende belang bij handhaving van het concurrentiebeding aanwezig. De kantonrechter schorst het beding en staat de werknemer toe om bij PRE-GO te werken. De vordering van Fleet Robotics wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt geschorst wegens onvoldoende belang van de werkgever, waardoor de werknemer bij de concurrent mag werken.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
dn/c
Zaaknummer: 12120225 RL EXPL 26-5008
Vonnis in kort geding van 6 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. M.J. Goethals-van der Kuip,
tegen
FLEET ROBOTICA B.V.,
te Delft,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Fleet Robotica,
gemachtigde: mr. D. van Gerven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 11,
- de conclusie van antwoord in kort geding tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 23,
- de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitaantekeningen van [eisende partij] .
1.2.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.Wat is er gebeurd?

2.1.
Blijkens het handelsregister biedt Fleet Robotics aan zee- en binnenvaartschepen gerobotiseerde onderwater inspectie-, duik- en reinigingsdiensten aan, inclusief bijbehorende rapportages, advies en analyses.
2.2.
[eisende partij] is op 1 oktober 2023 in dienst getreden bij Fleet Robotics in de functie van Fleet Inspector op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
In de arbeidsovereenkomst is onder meer een geheimhoudings-, concurrentie- en boetebeding opgenomen.
2.3.
Na een verlenging is de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] per 1 mei 2025 omgezet naar onbepaalde tijd. Partijen zijn in deze arbeidsovereenkomst opnieuw een concurrentiebeding overeengekomen.
2.4.
De tekst van het concurrentiebeding luidt als volgt:
Onder het begrip concurrent wordt in dit non-concurrentiebeding verstaan een onderneming gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van de werkgever. Het is de werknemer in verband met zwaarwegende bedrijfsbelangen verboden ten minste 5 jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst – direct of indirect (zoals via een uitzendbureau) – arbeid voor een Concurrent te verrichten of als zelfstandig ondernemer – direct of indirect (zoals via een vennootschap) arbeid voor een Concurrent te verrichten of alleen of met anderen een concurrent op te richten, te vestigen, te drijven of te doen drijven of alleen of met anderen financieel belang bij een concurrent te hebben of daarin aandeel te hebben.
2.5.
Partijen hebben op 27 november 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van [eisende partij] op 31 december 2025 eindigt. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer bepaald dat tussen partijen het concurrentiebeding onverminderd geldt.
2.6.
Op 1 januari 2026 is [eisende partij] in dienst getreden bij PRE-GO DroneDuikinspecties (hierna: PRE-GO) in de functie van ROV-Pilot (Remote Operated Vehicles-Pilot).
2.7.
Blijkens het handelsregister biedt PRE-GO de volgende diensten aan:
Het uitvoeren van onderwaterinspecties met behulp van onderwaterdrones en oppervlaktevaartuigen. Het analyseren van onderwaterbeelden en sonardata, inclusief afstandmetingen, detailinspecties en maatvoering. Het opstellen en leveren van rapportages met beeldmateriaal. Advisering op het gebied van waterveiligheid, onderhoud en technische staat van onderwaterconstructies. Innovaties en productontwikkeling op het gebied van drone-inspectietechnologie en data-analyse. De exploitatie van een ingenieurs- en organisatieadviesbureau alsmede het verrichten van projectmanagement, uitvoeren van inspectie, onderhouds- en renovatiewerkzaamheden zowel met betrekking tot civiele als maritieme constructies.
2.8.
Volgens Fleet Robotics handelt [eisende partij] in strijd met het concurrentiebeding door in dienst te treden bij PRE-GO in de functie van ROC-Pilot. Fleet Robotics heeft [eisende partij] daarom bij brief van 10 februari 2026 gesommeerd tot nakoming van het concurrentiebeding.
2.9.
In reactie daarop heeft [eisende partij] Fleet Robotics bij brief van 13 februari 2026 gesommeerd om schriftelijk toestemming te verlenen om in dienst te treden bij PRE-GO.

3.De vordering

i
n conventie en in reconventie
3.1.
[eisende partij] vordert schorsing van het concurrentiebeding, met dien verstande dat het [eisende partij] wordt toegestaan met onmiddellijke ingang werkzaam te zijn bij PRE-GO in de functie van ROV-Pilot, alsmede veroordeling van Fleet Robotics in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
3.2.
Bij wijze van tegenvordering vordert PRE-GO op haar beurt veroordeling van [eisende partij] tot nakoming van het concurrentiebeding alsmede per direct zijn werkzaamheden voor PRE-GO te staken, een en ander op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.3.
Partijen voeren over en weer verweer tegen de ingestelde vorderingen. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag die in dit kort geding voorligt, is of [eisende partij] zijn werkzaamheden bij PRE-GO wegens overtreding van het concurrentiebeding moet staken, of dat het concurrentiebeding moet worden geschorst totdat onherroepelijk uitspraak in een bodemprocedure is gedaan. Gelet op de samenhang tussen deze vorderingen, zullen die gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang en toetsingskader in kort geding
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Daarom moet eerst worden beoordeeld of partijen een zodanig spoedeisend belang bij hun vordering hebben dat van hen niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Bij die beoordeling dient in ieder geval te worden betrokken hoe aannemelijk het is dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, het belang van de eisende partij bij het treffen van de gevraagde voorziening en de gevolgen voor de andere partij bij het ten onrechte treffen van een voorziening.
4.3.
Gelet op de aard van de vorderingen is de spoedeisendheid al gegeven. Beide partijen hebben voldoende spoedeisend belang om in kort geding een voorlopig oordeel over hun positie te krijgen.
4.4.
Verder is voor toewijzing van een vordering in kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Het concurrentiebeding is geldig
4.5.
In artikel 7:653 lid 1 BW Pro is bepaald dat een concurrentiebeding alleen geldig is als a) de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en b) het concurrentiebeding schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer. Tussen partijen is niet in geschil dat aan deze vereisten is voldaan. Het overeengekomen concurrentiebeding is dan ook geldig.
4.6.
In beginsel verbiedt het concurrentiebeding [eisende partij] dan ook om tot 31 december 2030 werkzaam te zijn bij een concurrent van Fleet Robotics.
Fleet Robotics en PRE-GO zijn concurrenten – overtreding beding
4.7.
[eisende partij] stelt zich primair op het standpunt dat het concurrentiebeding niet wordt overtreden, omdat PRE-GO en Fleet Robotics geen concurrenten van elkaar zijn. Fleet Robotics richt zich immers op het reinigen van scheepsrompen. De inzet van robottechnologie is daarbij gericht op fysieke bewerking van de scheepshuid, te weten reiniging. De inspectie zelf is geen doel op zich. PRE-GO is een technisch georiënteerd inspectiebedrijf dat zich richt op meting, analyse en beoordeling van objecten in en rondom het water. De inzet van robottechnologie is daarmee van geheel andere aard en strekking, waardoor beide ondernemingen zich op een ander marktsegment richten.
4.8.
De kantonrechter volgt [eisende partij] hierin niet en licht dat hierna toe.
4.9.
Uit de tekst van het beding volgt, dat onder een
concurrentwordt verstaan een onderneming die ‘
gelijke, gelijksoortige of aanverwante’activiteiten uitvoert
.Beide ondernemingen hebben blijkens het handelsregister als kernactiviteit het uitvoeren van onderwaterinspecties (hoofdzakelijk) met behulp van onderwaterdrones. Dat de activiteiten van Fleet Robotics in essentie gericht zijn op het reinigen en onderhouden van schepen en de inspecties daarbij slechts een ondersteunende rol vervullen, is door [eisende partij] vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Weliswaar voert Fleet Robotics haar diensten uit bij zee- en binnenschepen, terwijl PRE-GO zich voornamelijk richt op civiele en maritieme onderwater constructies maar PRE-GO voert ook inspecties aan zeeschepen uit. Dit volgt immers uit de door Fleet Robotics overgelegde informatie afkomstig van de website van PRE-GO, waar zij het uitvoeren van inspecties aan zeeschepen als één van haar diensten heeft benoemd en de voorbeelden van uitgevoerde projecten die zij online heeft gedeeld. [1] Ook in het geval dat het aantal inspecties dat PRE-GO aan zeeschepen uitvoert (nog) minimaal is, zoals [eisende partij] betoogt, laat dat onverlet dat PRE-GO haar dienstverlening op het gebied van onderwaterinspecties in de toekomst verder naar zeeschepen kan uitbreiden. Dat PRE-GO, anders dan Fleet Robotics, geen onderhouds- en reinigingswerkzaamheden aanbiedt, maakt dat niet anders. [eisende partij] heeft immers onvoldoende weersproken dat het marktsegment en de doelgroep van Fleet Robotics en PRE-GO voor het inspecteren van zeeschepen hetzelfde is.
4.10.
De kantonrechter is daarom voorshands van oordeel dat PRE-GO een
gelijkof
gelijksoortigbedrijf is. Dit betekent dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [eisende partij] het concurrentiebeding heeft overtreden door in dienst te treden bij PRE-GO.
4.11.
Omdat sprake is van gelijke of gelijksoortige dienstverlening kan het standpunt van [eisende partij] , dat de in het beding gebruikte formulering ‘
aanverwante’activiteiten leidt tot een te grote inbreuk op de vrije arbeidskeuze van [eisende partij] , onbesproken blijven. Bovendien is van een vergelijkbare situatie als in de door [eisende partij] aangehaalde uitspraken geen sprake. [2]
Onvoldoende belang bij het beding – schorsing beding
4.12.
De kantonrechter kan in kort geding een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk schorsen indien voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 sub b BW Pro zal vernietigen.
4.13.
Het belang van een werkgever bij een concurrentiebeding is om daarmee de opgebouwde kennis, de zakelijke relaties, de klantenkring, specifieke producten of goodwill te beschermen, ook wel aangeduid met de term b
edrijfsdebiet. Het concurrentiebeding biedt geen bescherming tegen het vertrek van een ervaren werknemer en tegen de indiensttreding van die werknemer bij een concurrent van de oude werkgever, maar alleen tegen de aantasting van het bedrijfsdebiet door zo’n overstap. Van zo’n aantasting zal bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de betrokken werknemer door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante (commerciële en technische) informatie of van unieke werkprocessen en strategieën en hij deze kennis ten behoeve van zijn nieuwe werkgever kan gebruiken, waardoor de nieuwe werkgever in de concurrentieslag met de oude werkgever in het voordeel is.
4.14.
Fleet Robotics stelt dat de technische knowhow over haar drones, de in-house ontwikkelde software en database structuren essentieel zijn voor haar marktpositie op het gebied van onderwaterinspecties. De markt van onderwaterinspecties aan zeeschepen is een zeer niche en competitieve markt die zich kenmerkt door lage marges waardoor technische innovaties het verschil in kwaliteit en efficiëntie maken. Er vindt geen concurrentie plaats op commerciële of prijsstrategieën. Fleet Robotics heeft jarenlang geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling om de kwaliteit van onderwaterinspecties – waarbij rekening moet worden gehouden met beperkt zicht, stroming en slechte omstandigheden – te verbeteren, wat onder meer heeft geleid tot aanpassing van de constructie van de ROV, de toevoeging van verlichting, sonars, sensoren en camerasystemen. Daarnaast heeft Fleet Robotics haar drones zo aangepast dat haar drones appendages op zeeschepen kunnen vinden en herkennen door de toepassing van software en verschillende sensoren. Met behulp van software wordt automatisch een rapportage opgesteld en worden de foto’s gekenmerkt en vindt kleurcorrectie en belichting plaats. Naast de technische ontwikkeling van de drone heeft Fleet Robotics speciale standaarden voor inspecties ontwikkeld, zoals uitgewerkt in het overgelegde handboek, waardoor zo efficiënt mogelijk data van het schip kan worden verkregen. [3]
4.15.
Fleet Robotics stelt dat [eisende partij] tijdens zijn dienstverband bij Fleet Robotics bijzondere kennis heeft verworven die hij zonder de werkzaamheden voor Fleet Robotics niet zou hebben gehad en waarmee hij PRE-GO een ongerechtvaardigde voorsprong zou kunnen bezorgen. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst Fleet Robotics naar de overgelegde functieomschrijving van Fleet Inspector.
Deze functie bestaat uit een operationeel en technisch deel. [4] Het operationele deel bestaat uit het uitvoeren van de inspecties volgens de speciaal ontwikkelde werkwijzen. De Fleet Inspector heeft dan ook kennis van de door Fleet Robotics ontwikkelde standaarden voor het gestructureerd inspecteren van zeeschepen. Het technische deel bestaat uit het voorbereiden en uitvoeren storings- en onderhoudswerkzaamheden aan de ROV. In dat kader heeft de Fleet Inspector toegang tot de technische tekeningen en handleidingen en de leveranciers van de verschillende onderdelen. De Fleet Inspector weet exact hoe de hardware op de ROV moet worden gemonteerd. Daarnaast werkt de Fleet Inspector samen met de afdeling Engineering om nieuwe systemen te testen en daarop feedback te geven.
4.16.
[eisende partij] weerspreekt dat hij als Fleet Inspector bijzondere kennis heeft verworven die bescherming via een concurrentiebeding rechtvaardigt. Volgens [eisende partij] had hij louter een uitvoerende functie, waarbij hij dagelijks inspecties op buitenlocaties uitvoerde. Verder verrichtte hij alleen simpele reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan de drones. Incidenteel werd hij op pad gestuurd met nieuwe software om die in de praktijk te testen. [eisende partij] betwist echter dat hij op enigerlei wijze betrokken was bij de ontwikkeling daarvan, laat staan dat hij op enigerlei wijze inzicht in of kennis van de software of technische gegevens zou hebben. [eisende partij] benadrukt in dat kader dat hij ook geen technische achtergrond heeft. De door Fleet Robotics overgelegde functieomschrijving kent [eisende partij] niet en ook het overgelegde handboek, dat is voorzien van een datum gelegen na zijn uitdiensttreding, heeft hij niet eerder gezien.
4.17.
De kantonrechter overweegt het volgende. Fleet Robotics onderbouwt op geen enkele wijze dat [eisende partij]
daadwerkelijkbeschikt over bijzondere technische knowhow over de drones, de ontwikkelde software en/of database structuren. Dat [eisende partij] reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan de drones uitvoerde, waarvoor deze bijzondere kennis nodig is, blijkt vooralsnog nergens uit. De omstandigheid dat [eisende partij] nieuwe software in de praktijk moest testen en daarop feedback moest geven, betekent evenmin dat [eisende partij] zelf bijzondere kennis heeft van de technische innovaties en/of ontwikkelde software en database structuren. Bovendien volgt uit het cv van [eisende partij] niet dat hij een technische achtergrond heeft. [5] Het door Fleet Robotics geschetste beeld, dat de Fleet Inspector nauw samenwerkt met de engineers aan technische verbeteringen en uit dien hoofde kennis heeft van de technische knowhow e.d., is dan ook niet aannemelijk. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat tijdens de mondelinge behandeling is aangeven dat Fleet Robotics een zelfstandige afdeling met zeven softwareontwikkelaars en elf engineers heeft. Er bestaat dan ook geen enkele noodzaak dat de Fleet Inspector uit hoofde van zijn functie, welke functie door slechts vier personen bij Fleet Robotics wordt uitgeoefend, over deze bijzondere kennis beschikt.
4.18.
De kantonrechter komt daarom tot het voorlopig oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [eisende partij] uit hoofde van zijn functie bijzondere kennis heeft verworven die tot een concurrentievoordeel bij PRE-GO leidt. Omdat Fleet Robotics reeds daarom geen (te beschermen) belang heeft bij haar beroep op het concurrentiebeding, wordt aan een bespreking van de overige standpunten en een nadere belangenafweging niet toegekomen.
Conclusie
4.19.
Gelet hierop acht de kantonrechter het aannemelijk dat een bodemrechter het concurrentiebeding in de vaststellingsovereenkomst zal vernietigen. De kantonrechter zal de vordering in conventie daarom toewijzen en het concurrentiebeding voorlopig schorsen. Dit brengt met zich dat de vordering in reconventie zal worden afwezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.20.
De vordering van [eisende partij] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eisende partij] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de buitengerechtelijke kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan enkele aanmaningen, het voeren van telefoongesprekken, het verzorgen van correspondentie of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Dit zijn werkzaamheden waarvan wordt aangenomen dat ze worden vergoed door de proceskostenveroordeling van artikel 237 Rv Pro.
Proceskosten
4.21.
Fleet Robotics is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld. Zij wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden in conventie vastgesteld op:
- griffierecht € 93,00
- dagvaardingskosten € 155,60
- salaris gemachtigde € 1730,00 (2 punten x € 865)
- nakosten
€ 144,00(plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing).
Totaal € 2.122,60
4.22.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vordering in conventie en in reconventie worden de proceskosten in reconventie vastgesteld op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie:
5.1.
schorst het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding met onmiddellijke ingang en staat [eisende partij] toe om met onmiddellijke ingang werkzaam te zijn bij PRE-GO DroneDuikInspecties in de functie van ROV-pilot,
5.2.
veroordeelt Fleet Robotics in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] begroot op
€ 2.122,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Fleet Robotics niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie:
5.4.
wijst de vordering af,
5.5.
veroordeelt Fleet Robotics in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Nobel en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Productie 9 en 10 van Fleet Robotics.
3.Productie 2 van Fleet Robotics.
4.Productie 4 van Fleet Robotics.
5.Productie 12 van [eisende partij] .