Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn nareisaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak een beslistermijn van acht weken had gesteld. De minister heeft deze termijn niet nageleefd en geen besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn stelde die inmiddels is verstreken. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk is wanneer een besluit wordt genomen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van € 467,- toegekend vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De rechtbank verleent vrijstelling van griffierecht aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 4 mei 2026.