ECLI:NL:RBDHA:2026:1081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
25-3160
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Nigeriaanse vrouw afgewezen, maar beroep gegrond verklaard

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een Nigeriaanse vrouw, die in beroep ging tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft op 20 januari 2026 geoordeeld dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiseres, die van Nigeriaanse nationaliteit is, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar deze werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiseres beoordeeld en vastgesteld dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de geloofwaardigheid van haar asielrelaas, dat onder andere betrekking heeft op mensenhandel en de vrees voor vrouwenbesnijdenis van haar dochter. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De minister is opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen van eiseres. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.3160
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],V-nummer: [V-nummer], eiseres mede namens haar minderjarige kinderen
[minderjarige 1], geboren op [2017], V-nummer: [V-nummer] en
[minderjarige 2], geboren op [2022], V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J. Sánchez Rhemrev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1983]. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R.A. Osman als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiseres legt aan haar asielaanvraag - kort samengevat - het volgende ten grondslag. Eiseres leefde onder controle van haar adoptiemoeder [adoptiemoeder] en haar vriendin [vriendin]. Vanaf haar dertiende levensjaar werd eiseres door hen gedwongen om in de prostitutie te werken. In 2007 is eiseres naar Europa gebracht, waar zij in verschillende landen in de gedwongen prostitutie heeft gewerkt. Eiseres moest aan [adoptiemoeder] en [vriendin] geld afdragen en eiseres heeft een schuld bij [adoptiemoeder] die zij dient af te betalen. [adoptiemoeder] zweerde dat eiseres aan haar moet betalen tot de dood. Volgens eiseres resteert er een bedrag van € 30.000,-. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiseres voor haar adoptiemoeder [adoptiemoeder] en voor de voodoo-eed die zij heeft afgelegd.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- De nog uitstaande schuld bij adoptiemoeder [adoptiemoeder].
8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Hierbij merkt de minister op dat het geloofwaardig is dat vrouwenbesnijdenis voorkomt in Nigeria en dat dit deel uitmaakt van de algemene situatie in Nigeria. Dat eiseres een nog uitstaande schuld heeft bij haar adoptiemoeder [adoptiemoeder] en als gevolg daarvan een risico loopt bij terugkeer naar Nigeria, vindt de minister niet geloofwaardig. Eiseres heeft namelijk haar verklaringen met betrekking tot dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Daarnaast vormen haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiseres heeft verklaard werkzaam te zijn geweest in de prostitutie om op die manier de nog openstaande schulden bij [adoptiemoeder] af te kunnen betalen. Uit het ECRIS-uittreksel blijkt evenwel dat eiseres zelf is veroordeeld tot een straf voor pooieren, mensenhandel, hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf, deelnemen aan een criminele organisatie en witwassen van opbrengsten van strafbare feiten. Daarnaast kan eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat zij heeft verzwegen dat zij als
madamdan wel pooier heeft gewerkt. Verder is de minister van mening dat eiseres haar vrees voor besnijdenis van haar dochter niet aannemelijk heeft gemaakt.
9. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, onder j, van de Vw. Tot slot heeft de minister een terugkeerbesluit, een inreisverbod van 10 jaar en een besluit tot signalering aan eiseres opgelegd.
Werkinstructie 2024/6
10. Eiseres voert aan dat de minister met de toepassing van Werkinstructie (WI) 2024/6
Geloofwaardigheidsbeoordelingeen onjuiste en onvolledige geloofwaardigheidsbeoordeling heeft uitgevoerd. De minister beschouwt artikel 4, vijfde lid,
van de Kwalificatierichtlijn1 als cumulatieve voorwaarden, terwijl de beoordelingselementen in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Eiseres verwijst hierbij naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.2 De minister heeft in zijn beoordeling uitsluitend de elementen volgend uit artikel 4, vijfde lid, onder c en e van de Kwalificatierichtlijn betrokken, waardoor de beoordeling onvolledig en onevenwichtig is.
11. De rechtbank overweegt als volgt. De voorwaarden die volgen uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, spelen niet bij elke beoordeling van alle asielrelazen een rol. Het is namelijk niet van belang als de vreemdeling bewijs heeft aangedragen van zijn volledige asielrelaas. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de vijf voorwaarden die volgen uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, cumulatieve voorwaarden zijn.3 Het niet voldoen aan één van die voorwaarden zou dus in beginsel kunnen volstaan om een vreemdeling niet het voordeel van de twijfel te geven ten aanzien van verklaringen waarvoor bewijsmiddelen ontbreken en om het asielmotief ongeloofwaardig te achten. De minister moet een asielaanvraag echter altijd op individuele basis beoordelen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met alle relevante feiten. Ook is in WI 2024/6 vermeld dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid alle feiten en omstandigheden worden betrokken.
11. Daarnaast heeft deze rechtbank en zittingsplaats op 10 juni 2025 uitspraak gedaan over Werkinstructie 2024/6.4 De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in deze uitspraak overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat de toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest.
11. De rechtbank zal dus in deze asielzaak van eiseres, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden, toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en of voldoende is gemotiveerd waarom het asielrelaas (gedeeltelijk) ongeloofwaardig is. Voor zover eiseres in beroep heeft aangevoerd dat toepassing van WI 2024/6 per definitie in strijd is met Unierecht, volgt de rechtbank eiseres daarin dus niet.

De geloofwaardigheid van het asielrelaas

14. Eiseres voert aan dat de minister uit de veroordeling van eiseres van mensenhandel onterecht afleidt dat zij
madamwas en daarom ook geen problemen meer kon hebben met haar adoptiemoeder. Dit volgt niet direct uit een veroordeling voor mensenhandel en de minister heeft niet onderbouwd welke definitie van mensenhandel in Frankrijk wordt gehanteerd. Daarnaast redeneert de minister
a contrarioop grond van landeninformatie. Uit landeninformatie leidt de minister af dat iemand die een ander onder de hoede heeft genomen, een eigen netwerk heeft en dus ook
madamis. Dat standpunt wordt niet ondersteund door algemene bronnen. De minister redeneert dat eiseres
madamis geworden na/door afbetaling van haar schuld. Kennelijk gelooft de minister de aanleiding en in ieder geval het begin van het asielrelaas van eiseres, namelijk dat zij als slachtoffer van
1. Richtlijn 2011/95/EU.
2 Uitspraken van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NLRBDHA:2025:139.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:12, onder 38.
mensenhandel zelf in de gedwongen prostitutie moest werken. De redenering van de minister dat eiseres nu zelf
madamgeworden is na de afbetaling van haar schuld, kan alleen geldig zijn als de aanvang van het asielrelaas geloofwaardig is geacht. Eiseres stelt zich in dit verband op het standpunt dat de minister een te strikte interpretatie hanteert van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, waarbij er bovendien een verschil is tussen de Nederlandse taalversie van de Kwalificatierichtlijn en de Franse en Engelse taalversies.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens het nader gehoor heeft eiseres verklaard sinds jonge leeftijd en in verschillende landen in de gedwongen prostitutie te hebben gewerkt. Eiseres heeft ook verklaard dat, toen zij in Frankrijk verbleef, er iemand naar haar is toegebracht die onder de zorg van eiseres stond en met wie zij moest werken. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij in Frankrijk tot een gevangenisstraf is veroordeeld voor mensenhandel en daarvoor heeft vastgezeten. Uit de door de minister in het voornemen aangehaalde landeninformatie volgt dat veel voormalige slachtoffers van seksuele uitbuiting voor hun mensenhandelaren werken als
madam.5,6 Dat iemand slachtoffer van mensenhandel kan zijn, betekent niet automatisch dat zo iemand niet ook (mede)pleger van mensenhandel kan zijn; de twee hoedanigheden sluiten elkaar immers niet onderling uit. Er is aanleiding om aan te nemen dat gemengd slachtoffer/daderschap zich voordoet in de context van slachtoffers van mensenhandel uit Nigeria. De genoemde landeninformatie komt overeen met hetgeen eiseres heeft verklaard in het nader gehoor. Eiseres heeft zelf tijdens het nader gehoor naar voren gebracht in Frankrijk veroordeeld te zijn voor (onder andere) mensenhandel. Eiseres heeft weliswaar tijdens het nader gehoor niet uitvoerig over haar veroordeling en de achtergrond daarvan verklaard, maar de gehoormedewerker heeft op dit punt ook nauwelijks doorgevraagd. Ook op de opmerking van eiseres dat zij een meisje onder haar hoede had gekregen is niet doorgevraagd. De minister heeft in het ECRIS-uittreksel ook geen reden gezien om eiseres aanvullend te horen. De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat de redenering van de minister in het bestreden besluit kennelijk berust op de
aannemelijkheidin grote lijnen van het relaas van eiseres tot aan het moment dat zij van slachtoffer van mensenhandel zelf pleger/dader wordt, zie hierna onder 17. Dat eiseres vervolgens ook zelf
madam/pooier is geworden, leidt verweerder af uit de veroordeling in Frankrijk. Hoewel de veroordeling die op het ECRIS-uittreksel is vermeld een sterke aanwijzing vormt voor die conclusie, is de rechtbank van oordeel dat de minister de redenering te ver doortrekt. De veroordeling brengt de minister namelijk vervolgens kennelijk tot de conclusie dat het asielrelaas als geheel ongeloofwaardig is omdat vanaf het moment dat iemand
madamis, zij niet ook slachtoffer kan zijn (of zijn geweest) die nog te vrezen heeft als gevolg van schulden. Dit baseert de minister op de algemene informatie die, kort gezegd, inhoudt dat veel slachtoffer ná het afbetalen van hun schuld aan de mensenhandelaar zelf mensenhandelaar worden. Deze redenering is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht, omdat dit niks zegt over de situatie van eiseres en ook niet zodanig specifiek is dat verweerder eruit kan concluderen dat
alleenslachtoffers van wie de schuld is afbetaald, dader kunnen zijn. De rechtbank wijst ter illustratie op twee passages uit de door de minister aangehaalde algemene bron:

“In Spain 2016, [the BBC] distinguished between two ranks of madams: the lower-ranking

5 UK Home Office,
Country Policy and Information Note Nigeria: Trafficking of women, versie 6.0, April 2022, onder 2.4.2.
6 Aweto, P., Carachedi, F., & Akinyoade, A.,
Human trafficking in Nigeria 1960-2020: pattern, people, purpose and places,2023.
and the higher-ranking. The lower-ranking prowl the streets […]. Higher-ranking madams collect money from their subordinates […]”7en
“Thus, many sex trafficking victims continue to work indirectly for their traffickers in exchange for leaving sex trafficking.”.8
16. De minister heeft weliswaar overwogen dat eiseres al lange tijd niets meer van haar adoptiemoeder heeft gehoord, hetgeen mogelijk afbreuk kan doen aan de gestelde vrees, maar dat acht de rechtbank op zichzelf onvoldoende om tot ongeloofwaardigheid van het relaas als geheel te concluderen. Overigens heeft eiseres verklaard dat zij tijdens haar laatste contact met haar adoptiemoeder deed alsof zij haar gehoorzaamde en dat zij zich nadien, sinds haar vertrek uit Frankrijk, verborgen houdt voor haar adoptiemoeder. Hoe de minister dat duidt in de context van de door eiseres gestelde vrees dat zij nooit van haar adoptiemoeder zegt af te komen, wordt uit de besluitvorming niet duidelijk. De rechtbank is van oordeel dat de minister aldus niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is bevonden. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek en komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen.
16. De rechtbank is het verder met eiseres eens dat uit de besluitvorming afgeleid kan worden dat de minister wel uitgaat van het slachtofferschap van mensenhandel van eiseres. De minister heeft dit weliswaar niet expliciet overwogen, maar de logica dwingt hiertoe. Immers: in de redenering van de minister is het relaas met betrekking tot de schuld ongeloofwaardig geacht omdat eiseres zelf als mensenhandelaar is gaan werken, wat impliceert dat zij als slachtoffer haar schuld had afbetaald. De minister overweegt expliciet dat het niet mogelijk is madam te worden zolang er nog schulden zijn. Hierbij haalt de minister de volgende passage aan: “
once a Nigerian girl or woman becomes free of her debt to traffickers, she also graduates to the level of ‘madam’ […]”.
De minister heeft zich verder nergens in het voornemen of het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij eiseres
enkel als plegervan mensenhandel beschouwt. Nu de minister dus aanneemt dat eiseres (ook) een slachtoffer is (geweest) van mensenhandel, ontbreekt in het bestreden besluit ten onrechte een beoordeling van het risico bij terugkeer naar Nigeria. Ook in zoverre is sprake van een motiveringsgebrek en is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding. De minister zal alsnog moeten beoordelen of eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op represailles van de mensenhandelaar. Dit kan hij doen middels de richtsnoeren uit de Country Guidance Nigeria 2021. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 7 mei 2025.9
7 Zie voetnoot 2, p.34.
8 Zie voetnoot 2, p.35.
Het risico op vrouwenbesnijdenis (FGM)
18. Eiseres voert aan dat haar dochter een reëel risico loopt om bij terugkeer in Nigeria te worden besneden. Zij verwijst naar hetgeen zij heeft verteld, in combinatie met algemene bronnen over vrouwenbesnijdenis in Nigeria. Eiseres heeft voldoende uitgelegd waarom zij zelf weinig weet van vrouwenbesnijdenis. Eiseres behoort echter wel tot een bevolkingsgroep waar vrouwenbesnijdenis veelvuldig voorkomt. Zij betwist dat zij en de vader van haar dochter een doorslaggevende rol kunnen spelen bij de bescherming van haar dochter. De minister heeft volgens eiseres in het bestreden besluit ook erkend dat de rol van ouders kleiner is dan in het voornemen was geschetst.
18. De rechtbank stelt voorop dat partijen het met elkaar eens zijn dat vrouwen- en meisjesbesnijdenis in Nigeria nog altijd voorkomt. De minister is hier ook van uitgegaan in de besluitvorming. Verder overweegt de rechtbank dat uit vaste rechtspraak volgt dat naast het percentage van de vrouwelijke bevolking dat besneden wordt, veel verschillende andere factoren het risico op besnijdenis in een individueel geval kunnen vergroten of juist verkleinen.10 Aan de hand van de eigen verklaringen van de vreemdeling en de relevante landeninformatie moet verweerder al deze verschillende factoren kenbaar en in onderlinge samenhang bij de besluitvorming betrekken. Daarbij kan volgens de Afdeling bijvoorbeeld worden gedacht aan de voorkeur van de ouders, de vraag of andere vrouwelijke familieleden zijn besneden en de leeftijd van de desbetreffende vrouw. Aan de hand van de eigen verklaringen van een vreemdeling en de relevante landeninformatie moet de minister al deze verschillende factoren kenbaar en in onderlinge samenhang betrekken bij de besluitvorming. Op die manier kan de minister zich op een deugdelijk gemotiveerd standpunt stellen wat betreft de vraag of een reëel risico op besnijdenis aannemelijk is gemaakt. In het geval van eiseres is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar dochter bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt om te worden besneden. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiseres zelf geen besnijdenis heeft meegemaakt en daar geen problemen in haar gemeenschap door heeft ondervonden. Eiseres heeft (ook overigens) niet aannemelijk gemaakt dat zij afkomstig is uit een gebied waar vrouwenbesnijdenis is ingebed in de gemeenschap. Uit het Algemeen Ambtsbericht van Nigeria van 2023 volgt dat, in gemeenschappen waar vrouwenbesnijdenis niet is ingebed in de gemeenschap, ouders belangrijke personen zijn die een vrouwenbesnijdenis kunnen voorkomen (pagina 72). Eiseres en de vader van haar dochter willen beiden niet dat de dochter de besnijdenis ondergaat. Verweerder mocht daarom concluderen dat de omstandigheid dat in sommige situaties de familie de beslissing neemt, in dit geval niet doorslaggevend is. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangen van de minderjarige kinderen en het gezinsleven

20. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit de belangen van haar kinderen nergens uitdrukkelijk worden benoemd. Eiseres heeft in het bijzonder zorgen over [minderjarige 1]. Zij heeft in beroep een e-mail overgelegd van de thuisbegeleider van het gezin. De minister heeft ten onrechte ook niet stilgestaan bij het gezinsleven van eiseres, haar kinderen en haar
10 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2430).
partner, aldus eiseres. Eiseres heeft hierbij gewezen op artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.11
21. De minister heeft gesteld dat eiseres hierover pas voor het eerst in beroep klaagt. Verder heeft hij verwezen naar Informatiebericht 2025/10, op grond waarvan hij gezien de afdoeningswijze, kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw, niet gehouden was om te toetsen aan artikel 8 van het EVRM.
22. Omdat het beroep, gelet op wat hiervoor is overwogen, gegrond is en het bestreden besluit (inclusief het terugkeerbesluit en het inreisverbod) voor vernietiging in aanmerking komt, komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond. De minister dient de asielaanvraag opnieuw te beoordelen. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat als de minister bij deze nieuwe beoordeling overweegt om opnieuw een terugkeerbesluit op te leggen, hij ingevolge artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn rekening moet houden met de belangen van de minderjarige kinderen van eiseres en het gezinsleven. Dit omvat ook de in beroep overgelegde informatie die betrekking heeft op de psychische problematiek van [minderjarige 1].

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
24. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
25. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt €1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Er zijn verder geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
11 Richtlijn 2008/115/EG.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 17 januari 2025;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; en
  • veroordeelt de minister tot betaling van €1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.