Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10827

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL25.40769
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid

Eiseres, een Syrische vrouw geboren in 1953, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar meerderjarige zoon te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon, mede omdat zij sinds 2014 niet meer samenwoonden en eiseres onvoldoende had onderbouwd dat zij financieel, medisch, praktisch of emotioneel afhankelijk was.

Eiseres voerde in beroep aan dat er wel sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dat de minister een belangenafweging had moeten maken en haar zoon had moeten horen. De rechtbank oordeelde dat de minister alle relevante feiten had betrokken en dat de weging van deze feiten binnen diens beoordelingsruimte viel. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd van concrete medische zorgbehoefte, financiële steun, praktische hulp van haar zoon of exclusieve emotionele afhankelijkheid.

Verder was de rechtbank van oordeel dat de minister terecht had afgezien van het horen van de zoon, omdat het bezwaar geen nieuwe elementen bevatte die tot een ander besluit konden leiden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40769

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referent), de gemachtigde van eiseres, A. Yasin als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1953 en heeft de Syrische nationaliteit. Referent is de meerderjarige zoon van eiseres en heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv om bij hem te verblijven. Eiseres wil bij referent verblijven, omdat zij medische klachten heeft en stelt van referent afhankelijk te zijn.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van familie- of gezinsleven [1] tussen eiseres en referent nu er tussen hen geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Eiseres en referent wonen al sinds 2014 niet meer samen en eiseres heeft niet aangetoond dat zij financieel, medisch, praktisch of emotioneel afhankelijk is van referent. Ook heeft eiseres sterke banden met Syrië. Verweerder heeft dan ook geen belangenafweging gemaakt in het kader van familie- of gezinsleven. Volgens verweerder was het niet nodig om referent en/of eiseres te horen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiseres aan dat er wel sprake is van familie- en gezinsleven omdat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Eiseres is namelijk praktisch, emotioneel, financieel en medische afhankelijk van referent. Verweerder had deze factoren meer in onderlinge samenhang moeten betrekken. Ten tweede had verweerder gezien het bestaan van familie- en gezinsleven een belangenafweging moeten maken. Ten slotte had verweerder referent moeten horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid?
5. Ouders en hun meerderjarige kinderen kunnen alleen een beroep doen op artikel 8 van Pro het EVRM als er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [2] volgt dat de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet verweerder alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en er daarom geen sprake is van familieleven [3] . Zoals tijdens de zitting is gebleken, is niet in geschil dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken, maar gaat het om de manier waarop verweerder deze heeft gewogen. Verweerder heeft mogen betrekken dat de omstandigheid dat eiseres en referent hebben samengewoond geen bijkomend element van afhankelijkheid oplevert omdat zij sinds 2014 al niet meer samenwonen. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat referent geen stukken heeft overgelegd om de gestelde financiële steun aan eiseres te onderbouwen. Hoewel het wellicht lastig is voor referent om dit te onderbouwen, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het wel aan referent is om stukken te overleggen. Verweerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat referent bijvoorbeeld bankafschriften van contante opnames of verklaringen had kunnen overleggen. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres concrete medische zorg nodig heeft en hiervoor bovendien afhankelijk is van referent. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat uit de verklaring van de arts volgt dat specifieke medische zorg nodig is. Verweerder heeft er tijdens de zitting terecht gewezen op dat in de verklaring staat dat eiseres voortdurende verzorging nodig heeft maar dat dit niet gelijk staat aan concrete medische zorg. Verweerder heeft ook kunnen stellen dat eiseres niet met medische stukken heeft onderbouwd dat haar gezondheidstoestand achteruitgaat. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat niet referent, maar de buren van eiseres praktische hulp geven aan eiseres en dat eiseres zich al acht jaar lang zonder de praktische hulp van referent redt. Hierbij is van belang dat niet is aangevoerd of aangetoond dat de buren zullen stoppen met het helpen van eiseres of dat eiseres iets is overkomen zonder dat er direct hulp was. Verder heeft verweerder mogen stellen dat niet is gebleken dat referent de enige is die eiseres emotionele hulp biedt en dat eiseres en referent zich op emotioneel vlak niet zonder elkaar kunnen redden. Verweerder heeft hierbij van belang mogen vinden dat eiseres niet met stukken heeft aangetoond dat haar drie andere kinderen haar niet kunnen ondersteunen. Ten slotte heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres sterke banden heeft met Syrië.
Had verweerder een belangenafweging moeten maken in het kader van familieleven?
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM en heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken. [4]
Heeft verweerder mogen afzien van horen?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder referent niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter [5] heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [6] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Hierbij is van belang dat referent in bezwaar niet heeft aangevoerd welk concreet belang hij heeft om gehoord te worden en ook tijdens de zitting bij de rechtbank niet heeft onderbouwd waarom een hoorzitting tot een andere uitkomst had kunnen leiden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).
2.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
3.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1187.
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
6.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.