Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10881

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
SGR 23/8062
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor bouw appartementen en commerciële ruimte

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard inzake een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee appartementen en commerciële ruimte op een perceel. Het college had de vergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan, met name ten aanzien van de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens.

Eiseres stelde dat de vergunde bouw in strijd was met een goede ruimtelijke ordening vanwege aantasting van privacy, uitzicht, lichtinval en bezonning, en dat de procedure onredelijk lang duurde. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk was omdat het college alsnog op het bezwaar had beslist. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard omdat de vergunning binnen de maximale bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan bleef en de nadelige gevolgen niet onevenredig waren.

De rechtbank nam daarbij de bezonningsstudie en contra-expertise in overweging en concludeerde dat de schaduwwerking en lichtbeperking niet onevenredig waren. Ook de privacy werd niet onrechtmatig aangetast. Wel werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep, waarbij het bedrag werd verdeeld tussen het college en de Staat. De proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding werden eveneens toegewezen.

Uitkomst: Beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, beroep tegen vergunning ongegrond, schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8062

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats 1] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink)
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard,

(gemachtigde: mr. A.D. Bouwman)
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [woonplaats 2] , vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. M.P. Smal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het realiseren van twee appartementen en commerciële ruimte op de locatie [adres 1] .
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar tegen de omgevingsvergunning. Tijdens het beroep heeft het college alsnog op het bezwaar beslist door het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren en te blijven bij het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend. Het beroep van eiseres is op grond van het recht ook tegen de alsnog genomen beslissing op bezwaar gericht. Aan de hand van de beroepsgronden die eiseres tegen dat besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk is en dat het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar ongegrond is. Wel wordt het verzoek van eiseres om schadevergoeding in verband met de lange duur van de procedure toegekend en krijgt zij een vergoeding voor daarvoor gemaakte proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 2 december 2022 heeft het college in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee appartementen en commerciële ruimte op de locatie [adres 1] .
2.1.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Eiseres heeft het college bij brief van 17 oktober 2023 in gebreke heeft gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar. Op 24 november 2023 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar.
2.3.
Met het besluit van 29 maart 2024 heeft het college tijdens het beroep niet tijdig beslissen alsnog beslist op het bezwaar van eiseres. Het beroep niet tijdig beslissen is op grond van het recht [1] mede gericht tegen die beslissing (het bestreden besluit). Eiseres heeft, daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, hiertegen gronden ingediend.
2.4.
Het college heeft met een verweerschrift gereageerd op de gronden van eiseres tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster. Aan de zijde van het college is ook verschenen ing. [naam] . Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer SGR 24/3640.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep niet tijdig beslissen
3. Omdat het college met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het bezwaar, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Op zitting heeft eiseres het verzoek om vaststelling van de door het college verbeurde dwangsom ingetrokken. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren, voor zover dat ziet op het niet tijdig beslissen op bezwaar.
Inleiding
4. Op 15 april 2022 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor de omgevingsvergunning. Op het perceel [adres 1] rust de enkelbestemming ‘Centrum’ als bedoeld in het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – parkeren’ als bedoeld in het Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard. Het bouwplan in strijd met artikel 6.2.1, onder f, van de planregels van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (het bestemmingsplan) omdat het de door dit artikel voorgeschreven minimale afstand van 3 meter tot de perceelsgrens overschrijdt. Voor het overige past de vergunde bouw wel binnen de planregels. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend door op het punt van de afstand tot de perceelsgrens van de planregels af te wijken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid 2021, gemeente Krimpenerwaard (kruimelgevallenbeleid), paragraaf 2.1 en 2.2.
4.1.
Eiseres exploiteert samen met haar echtgenoot een eetcafé op het aangrenzende perceel, [adres 2] . Aan de achterzijde bevindt zich het woongedeelte dat door een doorgang met het eetcafégedeelte is verbonden. Er is een terras aanwezig. Op het zuidelijk dakvlak van het woongedeelte liggen zonnepanelen. Ten opzichte van de bestaande situatie op het perceel [adres 1] brengt de vergunde bouw een verandering mee doordat de massa en de hoogte van de vergunde bouw aanzienlijk groter zijn dan de bouwmassa die nog aanwezig was toen de aanvraag werd ingediend, terwijl de vergunde bouw tegen de perceelgrens zal komen te staan. Eiseres verwacht daar hinder van.
Overgangsrecht
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
5.1.
Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 april 2022, blijft de Wabo van toepassing.
5.2.
De toepasselijke wettelijke regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is verlening van de omgevingsvergunning in strijd met een goede ruimtelijke ordening?
6. Eiseres betoogt samengevat dat de vergunde bouw in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Aan de achterzijde van het gebouw komen gevelopeningen die rechtstreeks zicht bieden op het achtererf, wat strijd oplevert met de privacy. Ook wordt het zicht vanuit de zijramen en vanaf het balkon aan de zijkant van het eetcafé volledig weggenomen, evenals de lichtinval. De toetreding van (zon)licht tot de achtertuin van het eetcafé wordt onevenredig aangetast. Tot slot is in het bestreden besluit ten onrechte voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de vergunde bouw de lichttoetreding tot de zonnepanelen volledig wegneemt, dan wel ernstig beperkt. Eiseres vindt de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig. Op de afzonderlijke onderdelen van het betoog van eiseres zal de rechtbank hierna ingaan.
Toetsingskader
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [2]
6.1.1.
Op grond van het bestemmingsplan mag op het perceel een hoofdgebouw met een goothoogte van 9 meter worden gebouwd, waarbij geen maximum is gesteld aan de bouwhoogte. In de planregels is geen voorschrift opgenomen over de hellingshoek van een dak, zodat ook daaruit geen maximum bouwhoogte kan worden afgeleid. Het bouwvlak strekt zich uit over het volledige perceel en het perceel mag voor 80% worden bebouwd. Het vergunde hoofdgebouw heeft, naar niet is betwist, een goothoogte van 8,96 meter en een nokhoogte van 10,6 meter en het perceel wordt met dit gebouw voor maximaal 64% bebouwd. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het college in het standpunt dat het bouwplan – met uitzondering van het bouwen tegen de zijdelingse perceelsgrens – blijft binnen de maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en dat op basis daarvan een gebouw met een hoogte van 12 of 15 meter op het perceel zou kunnen worden gebouwd.
6.1.2.
Voor bouwmogelijkheden die zijn opgenomen in het bestemmingsplan geldt dat de ruimtelijke gevolgen daarvan door de gemeenteraad zijn afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. De door het college te maken belangenafweging is daarom beperkt tot de belangen die worden geraakt door de onderdelen van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan is verleend.
Privacy
6.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de vergunde bouw voorziet in gevelopeningen die rechtstreeks zicht bieden op haar erf en achterterras. Aan de oostzijde (achterzijde) van de vergunde bouw bevinden zich twee vensters, boven elkaar. Uit de bouwtekeningen blijkt dat deze vensters links van het midden van de achterzijde van het pand zijn gesitueerd op een afstand van meer dan drie meter van de zijdelingse perceelsgrens met eiseres. Gelet op de plaats van deze vensters en het vanaf daar mogelijke zicht op het perceel van eiseres, volgt de rechtbank het college in het standpunt dat sprake is van zijdelings zicht. De rechtbank ziet in verband hiermee geen grond voor het oordeel dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gevolgen van het bouwplan voor de privacy. Daarbij is ook van betekenis dat de gevelopeningen op deze plaats rechtstreeks zijn toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De afwijking van de planregel over de minimum afstand van drie meter tot de zijdelingse perceelsgrens brengt dus geen verandering in de mogelijkheid van zijdelings zicht op het perceel van eiseres.
Uitzicht, lichttoetreding en bezonning
6.3.
De rechtbank begrijpt dat de bestaande situatie op het perceel [adres 1] , waarin sprake is bebouwing die aanzienlijk lager is en minder omvangrijk dan de vergunde bebouwing, voor eiseres gunstiger is, zowel voor wat betreft uitzicht als toetreding van (zon)licht. Uit wat hiervoor is overwogen onder 6.1 volgt echter dat bij beoordeling van de vraag of afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening geen vergelijking moet worden gemaakt met de bestaande situatie, maar met de planologisch toegestane situatie.
6.4.
In aanmerking genomen de bebouwingsmogelijkheden van het bestemmingsplan en vaste rechtspraak [3] op grond waarvan geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat, is de rechtbank van oordeel dat het college geen doorslaggevend gewicht heeft hoeven toekennen aan het verlies van lichtinval en uitzicht vanaf de zijramen en het balkon aan de zijkant van het pand van eiseres. De rechtbank kan het college ook volgen in het standpunt dat de verminderde lichtinval niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat de ramen aan de voorzijde en de andere zijkant van het pand van eiseres nog steeds voorzien in daglichttoetreding. Evenals het college acht de rechtbank het niet aannemelijk dat bij de zijramen die uitzicht geven op het bouwplan sprake zal zijn van volledige verduistering.
6.4.1.
Onderdeel van de aanvraag is een bezonningsstudie van bureau Ziggurat van 3 juli 2023, die als bijlage 16 deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Daarin is onder meer een vergelijking gemaakt tussen de schaduwwerking van het in afwijking van het bestemmingsplan vergunde bouwplan en die in het geval van maximale benutting van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Dat is in overeenstemming met rechtspraak over de beoordeling van de schaduwhinder, op grond waarvan het college mag uitgaan van een vergelijking van de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden met de door de omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan toegestane overschrijdingen van de bouwvlakken. [4]
7. Gelet op de bezonningsstudie kan de rechtbank het college erin volgen dat de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning op het perceel van eiseres verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de gevolgen die op grond van het bestemmingsplan mogelijke bebouwing zou meebrengen. De contra-expertise van D-B Architecten van 24 mei 2024, die eiseres in beroep heeft overgelegd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze contra-expertise is opgesteld met gebruikmaking van de schaduwdiagrammen uit de bezonningsstudie van bureau Ziggurat. De juistheid van deze schaduwdiagrammen wordt daarmee niet betwist. In de contra-expertise worden schaduwdiagrammen op basis van de bestaande bebouwing en de nieuwe bebouwing tegen elkaar afgezet. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de vergelijking die het college op grond van het overwogene onder 6.3.1 en 6.3.2 heeft mogen maken. Voor zover in de contra-expertise het standpunt wordt ingenomen dat de bezonningsstudie uitgaat van een volstrekt niet realistische invulling van het perceel met op grond van het bestemmingsplan mogelijke bebouwing, wordt niet concreet gemaakt waarom die invulling niet realistisch zou zijn. Het betoog van eiseres op zitting dat in de bezonningsstudie geen rekening is gehouden met de vergunde afwijking van de driemetergrens ten opzichte van de perceelsgrens, mist feitelijke grondslag omdat het vergunde gebouw op de bezonningsdiagrammen van de nieuwe situatie tegen de perceelsgrens is geplaatst.
Zonnepanelen
7.1.
Dat schaduwwerking van de vergunde bebouwing zal leiden tot vermindering van de opbrengst van de zonnepanelen op het pand van eiseres, is door het college onderkend. Gelet op de schaduwwerking bij de maximale invulling van de bouwmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan is de rechtbank van oordeel dat het college hierin op goede gronden geen aanleiding heeft gezien om de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan te weigeren. Op zitting heeft de vergunninghouder overigens gezegd dat het aanbod aan eiseres om zonnepanelen op het dak van het vergunde gebouw te plaatsen nog steeds staat.
Slotsom
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de vergunde bouw geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat op het perceel van eiseres zal meebrengen. Het college heeft dit standpunt ook toereikend gemotiveerd. Daarom is er geen aanleiding voor het oordeel dat verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
7.3.
Het betoog slaagt niet.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
8. Eiseres heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
8.1.
In een zaak als deze is een bestuursrechtelijke procedure niet binnen een redelijke termijn afgerond als er meer dan twee jaren zijn verstreken tussen het maken van bezwaar en het doen van uitspraak in de beroepsprocedure. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het college een half jaar de tijd heeft om op het bezwaar te beslissen en de rechtbank anderhalf jaar heeft om op een beroep te beslissen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn geldt per half jaar, of een gedeelte daarvan, een vergoeding van € 500,-.
8.2.
De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het college het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat was op 27 december 2022. Deze uitspraak is van 7 mei 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn met in totaal zeventien maanden is overschreden. Eisers hebben dus recht op een bedrag aan schadevergoeding van € 1.500,-.
8.3.
De behandeling van het bezwaar heeft van de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 december 2022 tot de datum van het bestreden besluit, 29 maart 2024, afgerond naar boven zestien maanden geduurd. Als in een procedure over een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een reëel besluit wordt genomen, vangt de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep over het reële besluit aan op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan. [5] Dat betekent dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep in dit geval is aangevangen op 29 maart 2024. Vanaf dat moment tot de datum van deze uitspraak heeft de beroepsprocedure – afgerond naar boven – vijfentwintig maanden geduurd. De redelijke termijn in beroep van achttien maanden is daarmee dus met zeven maanden overschreden.
8.4.
Van het bedrag aan schadevergoeding komt 10/17e deel (€ 882,35) voor rekening van het college en 7/17e deel (€ 617,65) voor rekening van de Staat.
8.5.
Omdat het bedrag aan schadevergoeding door de Staat onder de € 5.000,- blijft, bestaat er gelet op de beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 geen aanleiding om de Staat in de gelegenheid te stellen verweer te voeren. [6]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en ongegrond voor zover het ziet op het bestreden besluit. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Nu het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Dat het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar terecht was ingesteld, doet hieraan niet af. Het griffierecht wordt bij toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb namelijk geacht te worden voldaan voor het beroep tegen het alsnog genomen bestreden besluit. [7]
9.2.
Eiseres heeft terecht beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Omdat eiseres dat in persoon heeft gedaan, toen nog zonder bijstand van haar gemachtigde (die zich pas op 26 april 2024 heeft gesteld), bestaat geen grond voor het toekennen van een proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Van overige kosten inzake het beroep niet tijdig beslissen die voor vergoeding in aanmerking komen, is de rechtbank niet gebleken.
9.3.
De proceskosten voor het mondelinge verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast op € 233,50 (1 punt × € 934,- × wegingsfactor 0,25). Van dit bedrag komt 10/17e deel (€ 137,35) voor rekening van het college en 7/17e deel (€ 96,15) voor rekening van de Staat.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 882,35 wegens het overschrijden van de redelijke termijn in bezwaar;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 617,65 wegens het overschrijden van de redelijke termijn in beroep;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 137,35;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 96,15.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
De griffier is buiten staat om deze
uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…)
Bestemmingsplan ‘Dorpskernen’
6.2
Bouwregels
6.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
(…)
d. de maximale goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt 6 meter mits anders is aangegeven op de planverbeelding;
(…)
f. de minimale afstand tot aan de perceelgrens bedraagt 3 meter.
Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid 2021, gemeente Krimpenerwaard
(…)
2.1
Algemene afwegingscriteria
(…)
2. Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:
• Het woon- en leefklimaat, waaronder mede verstaan:
o Hinder;
o Bezonning;
o Privacy;
o Gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden
(…)
4. Er dient voldaan te worden aan de behoefte aan parkeergelegenheid conform het op dat moment geldende parkeerbeleid.1 Indien van toepassing dient daarnaast voldaan te worden aan voldoende gelegenheid voor laden en lossen;
(…)

Voetnoten

1.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3340.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2454.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1481.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5462.
6.Staatscourant 2014, 20210.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB6602.