Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
ex nunc), maar moest hij beoordelen wat de situatie was op het moment dat de beslistermijn voor eisers aanvraag verliep. [5] Op dat moment werd aan iedere Syriër voor wie geen contra-indicaties gelden, een verblijfsvergunning verleend. Verweerder mocht ook niet stellen dat eiser zich ergens anders dan in [provincie] kan vestigen zonder dit te beoordelen volgens het beleid van het binnenlands vestigingsalternatief. [6] Verweerder heeft de beoordeling van de veiligheidssituatie in Syrië niet gebaseerd op de meest recente informatie – namelijk het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 – en onvoldoende concreet gemaakt naar de situatie in [provincie]. De slechte humanitaire omstandigheden moesten worden betrokken in de beoordeling, omdat die samenhangen met het gewapende conflict, dat ook na de val van het regime van Assad voortduurt.
ex nunc-beoordeling in strijd is met het Unierecht. Zoals verweerder heeft betoogd, volgt namelijk juist uit het Unierecht dat asielaanvragen
ex nuncbeoordeeld moeten worden. Verweerder heeft terecht gewezen op artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn, waaruit volgt dat in asielzaken een rechtsmiddel open moet staan dat een volledig en
ex nunconderzoek omvat. Eisers beroep op het arrest A.S. maakt het voorgaande niet anders. Kort gezegd blijkt uit dit arrest dat als een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en de indiening van zijn asielverzoek in die staat jonger dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling. In zoverre is sprake van een toetsing naar het moment van de aanvraag (
ex tunc). Zoals verweerder ter zitting heeft benoemd, ziet dit arrest op gezinshereniging onder de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank ziet in wat eiser hierover naar voren heeft gebracht geen reden om deze lijn door te trekken naar asielzaken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eisers aanvraag heeft mogen beoordelen naar het beleid en de situatie in Syrië op het moment van het besluit. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding deze zaak naar de meervoudige kamer te zenden, zoals de gemachtigde van eiser op de zitting heeft verzocht.
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2026;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;
- veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.