ECLI:NL:RBDHA:2026:10896

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL26.6203
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syriër wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen in stand gelaten

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man uit Aleppo, diende op 17 december 2023 een asielaanvraag in die op 3 februari 2026 werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelde het beroep op 9 april 2026. Eiser vreesde terugkeer vanwege niet-naleving religieuze voorschriften, niet voltooide dienstplicht en risico op ontvoering.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht concludeerde dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo en dat eiser geen individuele omstandigheden had die een verhoogd risico op ernstige schade opleveren. De humanitaire situatie werd als niet hoofdzakelijk veroorzaakt door de huidige strijdende partijen beoordeeld.

Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op een situatie in strijd met artikel 3 EVRM Pro, met name in relatie tot de toets uit het arrest Sufi en Elmi. Dit motiveringsgebrek leidde tot vernietiging van het besluit, maar de rechtsgevolgen van de afwijzing blijven gehandhaafd.

Eiser kreeg een proceskostenvergoeding van €1.868 toegekend. De rechtbank benadrukte dat verweerder een individuele beoordeling van het risico had gemaakt en dat de situatie in Aleppo relatief geschikt is voor terugkeer.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6203

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 17 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Yasin als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2001. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie. Eiser komt uit Aleppo. Hij heeft Syrië in 2020 verlaten en vervolgens tot 2023 in Turkije verbleven. Eiser vreest dat hij bij terugkeer problemen krijgt omdat hij religieuze voorschriften niet wil naleven en vanwege het niet volbrengen van de dienstplicht. Ook vreest hij dat hij ontvoerd wordt omdat hij in het buitenland is geweest en daarom zal worden gezien als rijk.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
eisers verklaringen over de algemene situatie in Syrië.
4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser echter geen gegronde vrees voor vervolging [2] en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade [3] bij terugkeer naar Syrië. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden. Dat eiser zich niet wil conformeren aan religieuze voorschriften, dat hij onder Assad de dienstplicht niet heeft volbracht en dat hij in het buitenland is geweest, zijn niet voldoende om te concluderen dat eiser gevaar loopt.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft zijn beoordeling van de situatie in Syrië en Aleppo niet gebaseerd op een volledige en actuele weging van alle relevante factoren. Eiser wijst erop dat de UNHCR staten heeft opgeroepen Syriërs niet gedwongen terug te sturen en dat in Aleppo sinds januari 2026 sprake is van nieuwe escalaties. Ook de slechte humanitaire omstandigheden moesten worden betrokken in de beoordeling, omdat die samenhangen met het gewapende conflict, dat ook na de val van het regime van Assad voortduurt. Zelfs als er niet is voldaan aan het criterium dat iedere burger alleen door aanwezigheid een reëel risico loopt, heeft verweerder eisers individuele risico verhogende omstandigheden onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Als de aanvraag niet moet worden ingewilligd vanwege het willekeurig geweld, moet dat vanwege het risico dat eiser loopt om slachtoffer te worden van gericht geweld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. [4] Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Reëel risico op ernstige schade vanwege gericht geweld
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan eiser geen subsidiaire bescherming toekomt onder artikel 15, aanhef en onder b van de Kwalicatierichtlijn, [5] zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij een seculiere levensstijl leidt en dat hij de dienstplicht niet heeft vervuld. In het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 staat dat er signalen zijn van verdergaande islamisering in de maatschappij. Volgens verschillende bronnen leidde het niet praktiseren van de islam doorgaans echter niet tot problemen met de overgangsregering. [6] Verweerder heeft dus terecht gesteld dat de seculiere levensstijl van eiser geen reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [7] oplevert. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiser problemen zal krijgen vanwege het niet volbrengen van de dienstplicht. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de dienstplicht nu niet meer bestaat. Dat eisers broer erop is aangesproken dat hij ‘grijs’ is gebleven – dus de dienstplicht niet heeft vervuld – is vervelend, maar maakt niet dat er voor eiser sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Ook is niet aannemelijk dat eiser slachtoffer zal worden van gewelddadige criminaliteit omdat hij uit Syrië afwezig is geweest. Eiser heeft namelijk geen aanwijzingen naar voren gebracht waaruit volgt dat hij slachtoffer zal worden van een ontvoering of ander geweld.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld
8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [8]
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. [9] De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [10] Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [11]
8.1.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het algemeen ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. [12] Verweerder heeft uit het meest recente Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.
Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Aleppo, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Aleppo onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Aleppo. Verder waren er in Aleppo meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Aleppo, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad Aleppo tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Aleppo.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende de verschillende beschikbare bronnen betrokken in de besluitvorming. Naast de ambtsberichten, heeft verweerder namelijk de EUAA Country Guidance over Syrië [13] (ook aangehaald door eiser) en informatie van het IOM [14] gemotiveerd betrokken bij zijn beoordeling. Het door eiser aangehaalde bericht van de UNHCR van 8 december 2025 waarin wordt opgeroepen om af te zien van gedwongen terugkeer naar Syrië, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Verweerder heeft namelijk met het bestreden besluit, het verweerschrift en de toelichting ter zitting voldoende gemotiveerd dat de verschillende bronnen in samenhang zijn beoordeeld en dat de oproep van de UNHCR op zichzelf niet leidt tot een andere conclusie.
8.2.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. [15] Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. [16] Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Aleppo in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
8.3.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo.
8.4.
Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De individuele omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht en die de rechtbank hiervoor onder 7 heeft besproken in het kader van gericht geweld, maken ook niet dat eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8.5.
Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een bijzonder veranderlijke en onzekere situatie. De rechtbank overweegt dat hoewel niet zeker is hoe de situatie in Syrië zich in de toekomst ontwikkelt, er inmiddels meer dan een jaar is verstreken sinds het regime van Assad is gevallen en er twee Algemeen Ambtsberichten zijn uitgebracht. Verweerder is – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – op basis van deze ambtsberichten dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo.
Terugkeerbesluit
9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat zijn terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [17] Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. [18]
9.1.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [19] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. [20]
9.2.
In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van Pro het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat eiser een gezonde volwassen man is met familie in zijn herkomstgebied, waarnaar hij kan terugkeren.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift deels hersteld.
Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ [21] Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van Pro het EVRM autonoom plaatsvinden.
De rechtbank stelt echter vast dat verweerder wel een individuele beoordeling heeft gemaakt van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor is bevraagd over zijn situatie bij terugkeer. Eiser heeft verklaard dat zijn familie nog in Aleppo woont. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn familie onderdak heeft en kan eten. Dat eiser geld overmaakt aan zijn familie, maakt niet dat aangenomen moet worden dat bij zijn terugkeer een situatie ontstaat die in strijd is met het arrest Sufi en Elmi. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat eiser jong en gezond is en dat verbonden aan informatie van het IOM waaruit volgt dat de omstandigheden in Aleppo relatief geschikt zijn voor terugkeer. [22] Er blijven obstakels bestaan, maar die maken niet dat eiser bij terugkeer naar Aleppo in een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi terecht komt. Verweerder heeft daarmee voldoende de individuele situatie van eiser bij terugkeer in zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft zich gelet hierop, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 9.3 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
11. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. [23]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2026;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;
  • veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
3.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
4.Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
6.Zie pagina 107 en 108 van het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026.
7.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
8.Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
9.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
10.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
11.Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
12.Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025.
13.EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.
14.Zie pagina 3 en 23 van het rapport
15.Zie ook de uitspraak van 23 februari 2026, noot 11, r.o. 7.3.
16.EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.
17.Zie noot 11, r.o. 7.4.
18.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (
19.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
20.Zie vorige noot, r.o. 278 – 283.
21.Zie vorige noot, r.o. 283.
22.Zie pagina 3 en 23 van het rapport
23.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.