ECLI:NL:RBDHA:2026:10900
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag op grond van interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft op 18 augustus 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 3 december 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet. De minister baseerde zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat eiser sinds 1 februari 2026 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser voerde aan dat hij in Duitsland ernstige psychische problemen heeft, dakloos was en niet adequaat wordt ondersteund, en dat de minister een onevenredige bewijslast op hem legde door medische stukken te verlangen.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om dit te weerleggen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang heeft tot gezondheidszorg, huisvesting, werk of onderwijs in Duitsland. Ook de door eiser aangevoerde afhankelijkheidsrelatie met zijn moeder in Nederland is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt dat de minister geen ambtshalve toetsing op grond van artikel 8 EVRM Pro hoeft te verrichten bij de niet-ontvankelijkverklaring.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskostenveroordeling af. Eiser kan tegen deze uitspraak binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.