ECLI:NL:RVS:2024:2668
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheid staatssecretaris tot niet-ontvankelijk verklaring asielaanvraag ondanks gezinsband en belangen kind
De staatssecretaris verklaarde de asielaanvraag van een Eritrese vreemdeling niet-ontvankelijk omdat hij al internationale bescherming geniet in Duitsland. De vreemdeling verzocht om hereniging met zijn vrouw en minderjarige dochter, die in Nederland verblijven en de Nederlandse nationaliteit hebben. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering van de staatssecretaris omtrent het belang van het kind en het gezinsleven.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling dat het arrest van het Hof van Justitie van de EU (22 februari 2022) bevestigt dat lidstaten een asielaanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren indien de vreemdeling reeds bescherming geniet in een andere lidstaat, ook als het gezinsleven en belangen van het kind in Nederland spelen. Alleen bij ernstige tekortkomingen in de beschermingsstatus in die andere lidstaat, zoals risico op onmenselijke behandeling, mag hiervan worden afgeweken.
De Afdeling stelt dat de staatssecretaris voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het minderjarige kind en het gezinsleven, en dat hij niet verplicht is om nader te motiveren waarom hij afziet van het gebruik van zijn bevoegdheid tot niet-ontvankelijkheid. Tevens is de staatssecretaris niet gehouden om ambtshalve de aanvraag te beoordelen op reguliere verblijfsgronden (artikel 8 EVRM Pro) indien de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee het besluit van de staatssecretaris in stand blijft.
Uitkomst: De asielaanvraag wordt terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.