In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie, omdat deze niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van 2 februari 2023. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de minister in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag had moeten nemen, zoals bepaald in het wijzigingsbesluit WBV 2023/3. De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken en dat eiser de minister op 23 mei 2024 heeft verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen, wat niet is gebeurd. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld na de minister op 1 december 2025 in gebreke te hebben gesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. De minister wordt opgedragen om binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. Indien de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 100,- per dag betalen, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.