Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een beslistermijn van zestien weken was gesteld, maar deze termijn is inmiddels ruim overschreden.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere rechterlijke termijn overschreden is. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is verklaard.
De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken op, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd, met een maximum van €37.500, om naleving van deze termijn af te dwingen.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op €467, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en de aard van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober en is openbaar bekendgemaakt op 8 januari 2026.