Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
6 november 2025 bij Zweden een verzoek om terugname gedaan. Zweden heeft niet tijdig op dit verzoek gereageerd, waardoor er op 7 januari 2026 een fictief claimakkoord tot stand is gekomen.
12 juni 2024 [13] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.2. is overwogen kan ten aanzien van Zweden nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Zweden een risico is op indirect refoulement.