Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11502

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
11821473 \ EJ VERZ 25-83543
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:682 lid 1 sub c BWArt. 7:686a lid 1 BWArt. 6:74 BWArt. 6:162 BWArt. 7:634 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen billijke vergoeding na opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid; transitievergoeding en vakantie-uren toegewezen

De zaak betreft een geschil tussen [partij A] en SWV VO over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst na langdurige arbeidsongeschiktheid. [partij A] vordert onder meer een billijke vergoeding, transitievergoeding, vergoeding van niet-genoten vakantie-uren en schadevergoeding. SWV VO verzet zich en vordert terugbetaling van teveel betaald salaris.

De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door SWV VO, waardoor de billijke vergoeding wordt afgewezen. Wel wordt de transitievergoeding toegekend, omdat SWV VO het teveel betaalde salaris niet mag verrekenen met deze vergoeding. Daarnaast moet [partij A] een deel van het teveel betaalde salaris terugbetalen, aangezien SWV VO de WIA-uitkering in mindering mocht brengen op het salaris, maar dit pas vanaf juli 2024 heeft gedaan terwijl zij eerder op de hoogte was.

De vakantie-uren van [partij A] zijn niet komen te vervallen omdat SWV VO niet heeft voldaan aan haar informatieplicht conform jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De vordering tot schadevergoeding wegens niet-nakoming van keuzebudgetrechten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Billijke vergoeding afgewezen; transitievergoeding en vakantie-uren toegekend; werknemer veroordeeld tot gedeeltelijke terugbetaling teveel betaald salaris.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
JL (C/D)
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
Zaaknummer / rekestnummer: 11821473 \ EJ VERZ 25-83543
Beschikking van 6 mei 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. A. Yandere,
tegen
de stichting STICHTING SAMENWERKINGSVERBAND VOORTGEZET ONDERWIJS REGIO LEIDEN,
te Leiden,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: SWV VO,
gemachtigde: mr. L.N. Gringhuis.

1.De kern van de zaak

1.1.
Samengevat zal de kantonrechter als volgt oordelen. De billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van SWV VO.
De transitievergoeding zal de kantonrechter toewijzen, omdat SWV VO het teveel betaalde salaris niet mag verrekenen met de transitievergoeding op grond van artikel 25 sub a Zavo Pro. [partij A] moet voorts een deel van het teveel betaalde salaris aan SWV VO terugbetalen, omdat SWV VO het bedrag aan WIA-uitkering in mindering mocht brengen op het salaris. SWV VO heeft alleen onvoldoende onderbouwd waarom zij dit pas vanaf juli 2024 heeft gedaan, terwijl zij al in april 2024 bekend was met de beslissing van het UWV over de hoogte van de WIA-uitkering. De maanden mei en juni 2024 hoeft [partij A] dus niet terug te betalen. De vakantie-uren van [partij A] zijn volgens de kantonrechter niet komen te vervallen, want SWV VO heeft niet voldaan aan de informatieplicht conform de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dus dit bedrag wordt toegewezen. Ten slotte wijst de kantonrechter de vordering tot het betalen van schadevergoeding af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 1 augustus 2025,
- de wijziging van het verzoek,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek, met producties, ingekomen ter griffie op 16 januari 2026,
- de wijziging van het verzoek, alsmede de aanvullende producties van [partij A] ,
- de aanvullende productie van SWV VO,
- de mondelinge behandeling van 28 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[partij A] , geboren op [geboortedatum] 1964, is in de periode van 26 februari 2007 tot 1 juni 2025 in dienst geweest bij (de rechtsvoorganger van) SWV VO. De functie van [partij A] was leraar met een loon van € 6.149,00 bruto per maand op basis van een 40-urige werkweek.
3.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs (CAO VO) van toepassing. In de CAO VO 2020 en de CAO VO 2021 is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
7.1
Individueel keuzebudget
1. De werknemer krijgt jaarlijks de beschikking over een basisbudget van 50 klokuren.
(…)
7.2.
Keuzemogelijkheden
(…)
Verlof
2. a. De werknemer heeft het recht om het basisbudget in te zetten als verlof ten behoeve van duurzame inzetbaarheid.
b. De werknemer heeft het recht zijn jaarlijks basisbudget te sparen.
(…)
Overige keuzes
14. De uren van het basisbudget kunnen ook worden gekapitaliseerd. De waarde van het basisbudget kan worden besteed aan de volgende doelen:
a. bijdrage in de kosten van kinderopvang;
b. verhoging van pensioenaanspraken.
(…)”
In de CAO VO 2022/2023 en de CAO VO 2023/2024 is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
7.1.
Individueel keuzebudget
1. De werknemer krijgt jaarlijks de beschikking over een basisbudget van 50 klok uren. (…)
Vanaf schooljaar 2022/2023 wordt dit basisbudget verhoogd naar 90 uur.
(…)
7.4.
Keuzemogelijkheden (…)
(…)
Verlof
2. a. De werknemer van 57 jaar of ouder heeft het recht om 50 uur uit het basis budget in te zetten voor verlof in combinatie met een aanvullend verlofbudget van maximaal 120 uur per jaar.
(…)
Overige keuzes
13. 50 uren van het basisbudget kunnen ook worden gekapitaliseerd. De waarde van het basisbudget kan worden besteed aan de volgende doelen:
a. bijdrage in de kosten van kinderopvang;
b. verhoging van pensioenaanspraken.
(…)”
In de CAO VO 2024/2025 is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
7.1.
Individueel keuzebudget
De werknemer krijgt jaarlijks de beschikking over een basisbudget van 90 klokuren.
(…)
7.2.
Keuzemogelijkheden
(…)
Verlof
2. a. De werknemer van 57 jaar of ouder heeft het recht om 50 uur uit het basis budget in te zetten voor verlof in combinatie met een aanvullend verlofbudget van maximaal 120 uur per jaar.
(…)
Overige keuzes
13. 50 uren van het basisbudget kunnen ook worden gekapitaliseerd. De waarde van het basisbudget kan worden besteed aan de volgende doelen:
a. bijdrage in de kosten van kinderopvang;
b. verhoging van pensioenaanspraken.
(…)”
In de CAO VO is verder onder meer het volgende bepaald:
“(…)
14.1.
Vakantieverlof voor de functiecategorieën directie en leraren
1. De werknemer die behoort tot de functiecategorie directie, dan wel tot de functiecategorie leraar, geniet:
a. gedurende de schoolvakanties en 5 extra, door de werkgever in overleg met de (G)MR vastgestelde, dagen vakantieverlof met behoud van bezoldiging;
b. buiten de in lid a genoemde periodes geen vakantieverlof.
(…)
8. Zodra de werknemer in een schooljaar 20 dagen vakantieverlof heeft genoten als bedoeld in lid 1 wordt hij geacht het wettelijk minimum aan vakantiedagen als bedoeld in artikel 7:634 lid 1 BW Pro in dat schooljaar te hebben genoten. Indien er vanaf dat moment gedurende dat schooljaar sprake is van samenloop van vakantieverlof en ziekteverlof komen deze vakantiedagen te vervallen. Indien een werknemer wegens arbeidsongeschiktheid gedurende het schooljaar in het geheel geen vakantieverlof heeft kunnen genieten, bestaat aanspraak op compensatie van maximaal 20 vakantiedagen.
(…)”
3.3.
De Ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregeling voortgezet onderwijs (Zavo) maakt onderdeel uit van de CAO VO. In de Zavo is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
4.Verlof wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid
a. De werknemer die geheel of gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd is zijn dienstbetrekking te vervullen, behoudt gedurende een termijn van 12 maanden zijn volle bezoldiging. Vervolgens geniet de werknemer over de verlofuren wegens ziekte 70% van zijn bezoldiging tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst. (…)
(…)
d. Indien de werknemer een uitkering ingevolge de (…) WAO of WIA is toegekend, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag, waarop hij ingevolge de onder a bedoelde bezoldiging recht heeft. (…)
(…)
25.Terugbetaling en terugvordering
a. De werkgever kan al hetgeen op grond van deze regeling onverschuldigd of te veel is betaald geheel of gedeeltelijk terugvorderen of in mindering brengen op een later te betalen bezoldiging of uitkering op grond van deze regeling, dan wel verrekenen met uitkeringen op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs, dan wel de Werkloosheidsregeling onderwijspersoneel voortgezet onderwijs:
I gedurende 5 jaren na de dag van de betaalbaarstelling indien de werkgever door toedoen van werknemer onverschuldigd heeft betaald, en;
II gedurende 2 jaren na de dag van de betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de werknemer redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de werkgever onverschuldigd betaalde.
(…)”
3.4.
In 2014 werd het samenwerkingsverband SWV VO opgericht, alsmede het Orthopedagogisch-Didactisch Centrum De Delta (OPDC De Delta) waar [partij A] werkzaam was. [partij A] was tevens tot 2020 (als voorzitter) lid van de medezeggenschapsraad (MR).
3.5.
In 2019 heeft SWV VO een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) opgesteld, waarin onder meer de werkdruk in kaart is gebracht.
3.6.
Op 4 juni 2021 heeft [partij A] zich ziekgemeld. Hierna is hij weer tijdelijk aan het werk gegaan. Op 24 juni 2021 heeft hij zich wederom ziekgemeld.
3.7.
Op 26 april 2022 heeft de Onderwijsinspectie het vierjaarlijkse onderzoek verricht naar het bestuur van SWV VO. Onderzocht is onder meer of SWV VO de aan haar opgedragen wettelijke taken uitvoert en de daaraan verbonden doelstellingen van passend onderwijs realiseert, alsmede of de sturing door het bestuur op de kwaliteit van SWV VO op het OPCD De Delta op orde is. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:

Wat moet beter?
Er is niet voor elke leerling een passende plaats
Het samenwerkingsverband heeft niet voor alle leerlingen een passende plaats in het onderwijs. Er is te weinig plaats in het voortgezet speciaal onderwijs en in de bovenbouw van het vmbo basis en kader voor leerlingen die naar het opdc zijn verwezen en mogelijk weer terug kunnen naar hun school van herkomst. Ook is de onderwijskwaliteit op het opdc onvoldoende, waardoor de leerlingen die het opdc bezoeken niet het onderwijs en de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben.
(…)
Verplichte documenten bevatten niet alle wettelijke voorgeschreven elementen
Het ondersteuningsplan 2020-2024 voldoet niet aan alle wettelijke voorschriften. Het bestuur kreeg medio 2020 een herstelopdracht, maar het door het bestuur gepleegde herstel voldoet niet. (…)
Vervolg
Omdat het bestuur van dit samenwerkingsverband niet aan alle wettelijke eisen voldoet, geven we herstelopdrachten. In het schooljaar 2022/2023 voeren wij een onderzoek uit om te kijken of het samenwerkingsverband de tekortkomingen heeft weggenomen. Bovendien gaan wij in het eerstvolgende jaarverslag na of de ontbrekende onderdelen zijn toegevoegd.
3.8.
Bij beslissing van 4 april 2024 heeft het UWV [partij A] met terugwerkende kracht vanaf 21 juni 2023 een WIA-uitkering toegekend.
3.9.
Op 13 maart 2025 heeft het UWV SWV VO toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [partij A] op te zeggen. Op 20 maart 2025 heeft SWV VO de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 juni 2025.

4.Het geschil

in het verzoek van [partij A]
4.1.
verzoekt – samengevat – veroordeling van SWV VO tot betaling van:
€ 328.516,54 bruto aan billijke vergoeding;
€ 41.507,39 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;
€ 27.472,39 bruto aan niet-genoten vakantie-uren tot 1 juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente;
€ 16.110,26 bruto aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;
de proceskosten.
4.2.
SWV VO verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.
in het tegenverzoek van SWV VO
4.3.
SWV VO verzoekt – samengevat – veroordeling van [partij A] tot betaling van € 13.631,10 netto aan teveel betaald salaris en de werkelijke proceskosten.
4.4.
[partij A] verzet zich tegen toewijzing van het tegenverzoek.

5.De beoordeling

in het verzoek van [partij A] en in het tegenverzoek van SWV VO
Billijke vergoeding
5.1.
De kantonrechter is van oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van SWV VO. Dat betekent dat het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding zal worden afgewezen. De kantonrechter licht dit hieronder toe.
5.2.
De rechter kan op grond van artikel 7:682 lid 1 onder Pro c BW een werknemer wiens arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is opgezegd een billijke vergoeding toekennen als de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt deze drempel overschreden. Voor het toekennen van een billijke vergoeding is een oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever niet noodzakelijk. De billijke vergoeding kan worden toegekend als de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en dat kan, bijvoorbeeld, ook aan de orde zijn als de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd. [1]
5.3.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag of de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, rusten op de werknemer, in dit geval dus [partij A] .
5.4.
[partij A] stelt dat hij jarenlang is blootgesteld aan een hoge werkdruk, spanning, stress en onveiligheid op het werk. Volgens [partij A] heeft SWV VO aan deze omstandigheden, ondanks dat zij hiermee bekend was, onvoldoende gedaan. [partij A] stelt dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is geworden. Ter onderbouwing van de gestelde werkomstandigheden verwijst [partij A] onder meer naar het jaarverslag 2018-2019 van de MR en de RI&E 2019. De gemachtigde van [partij A] heeft op de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat het in het bijzonder gaat om de volgende knelpunten die in het jaarverslag 2018-2019 van de MR zijn vermeld:
“- Aanhoudend/toenemend (ziekte)verzuim met mede werk gerelateerde burn-out problematiek onder het personeel op De Delta.
- Zeker 90% van alle afwezigen van teamleden wordt door het team, onbezoldigd bovenop de 750 klokuren, zelf ingevallen/opgevangen (kortdurend en langdurend ziekteverzuim, recuperatieverlof/persoonlijk keuzebudget, persoonlijke omstandigheden, BAPO, ouderschapsverlof, studie, etc.).
- De lesroosters blijven onverantwoord veel te vol. Lesgevende activiteiten (vooral al het maatwerk) worden als algemene taken geclassificeerd. Het inrichten van een time-out lokaal voor leerlingen die tijdelijk onmachtig zijn om in een klas te kunnen functioneren, moet door het team zelf worden ingevuld bovenop [een al overvol lesrooster. Er wordt in het lesrooster geen rekening gehouden met psychische belasting en het verantwoord inbouwen van “prikkelarme herstel-momenten”.
- De normjaar taak geeft geen realistische uren weergave van het werk dat moet worden volbracht ondanks het feit dat de mede hierdoor ontstane werkdruk zowel in persoonlijke gesprekken met leidinggevenden alsmede tijdens teamvergaderingen, medewerker tevredenheidonderzoek en de jaarlijkse evaluatievergaderingen wordt aangegeven.”
5.5.
SWV VO betwist niet dat er binnen de organisatie sprake is geweest van een lastige periode (onder andere als gevolg van de coronapandemie), maar zij betwist wel dat zij [partij A] heeft blootgesteld aan een hoge werkdruk, spanning, stress en onveiligheid en daar, ondanks zijn pogingen om dit bespreekbaar te maken, niets aan heeft veranderd.
5.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] zijn stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting van SWV VO, onvoldoende concreet heeft onderbouwd. De kantonrechter begrijpt dat de door [partij A] ervaren werkdruk een rol heeft gespeeld bij zijn ziekmelding, maar dat betekent niet automatisch dat de werkdruk naar objectieve maatstaven te hoog was. De kantonrechter ziet wel dat de werkdruk (veelvuldig) onderwerp van gesprek is geweest in onder meer het jaarverslag 2018-2019 van de MR en de RI&E 2019, maar dit betreft de ervaring van werknemers in het algemeen en ziet niet op de persoonlijke situatie van [partij A] . Bovendien is de kantonrechter met SWV VO van oordeel dat de betreffende stukken (mede) door [partij A] als voorzitter van de MR zijn opgesteld en daarmee dus niet objectief zijn. De kantonrechter laat daarbij in het midden of het jaarverslag 2018-2019 van de MR officieel is vastgesteld, zoals [partij A] stelt en SWV VO betwist. De door [partij A] overgelegde stukken onderbouwen zijn stelling immers niet. De gemachtigde van [partij A] heeft op de mondelinge behandeling nog toegelicht dat [partij A] les moest geven aan leerlingen die eerder hadden moeten doorstromen naar het speciaal onderwijs vanwege gedragsproblemen. De klassen waren hierdoor groter en [partij A] was niet opgeleid om die extra ondersteuning te geven. Die stelling is echter – desgevraagd – op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbijgaat.
5.7.
Uit de overgelegde stukken blijkt evenmin dat [partij A] met regelmaat heeft laten weten dat hij leed onder de gestelde werkomstandigheden. Niet in geschil is dat [partij A] een paar maanden voor zijn ziekmelding bij zijn direct leidinggevende, [naam 1] , heeft aangegeven dat het (fysiek) niet goed met hem ging. De kantonrechter kan echter niet vaststellen of er op dat moment ook sprake was van werkgerelateerde klachten, nu [partij A] hierover niets heeft gesteld. Dat volgt ook niet concreet uit zijn mail van 3 juni 2021 aan de voormalig locatiedirecteur, [naam 2] , waarin [partij A] uitlegt waarom hij zich die dag (plotseling) heeft afgemeld en naar huis is gegaan. Voor SWV VO was op dat moment wel duidelijk dat er wat speelde, reden waarom [naam 2] heeft aangegeven dat hij graag met [partij A] in gesprek wilde. Vaststaat dat [partij A] en [naam 2] in ieder geval op 21 juni 2021 een gesprek hebben gehad. Naar aanleiding van dat gesprek heeft [naam 2] op 24 juni 2021 onder meer het volgende aan [partij A] gemaild:
“Omdat je de week ervoor ook al een keer de school bent uitgelopen en naar huis bent gegaan omdat het je teveel werd, heb ik je geadviseerd om je werkzaamheden voor de school zoveel mogelijk te beperken tot (…) de kerntaken. Ik waardeer je betrokkenheid tot de school, maar ik heb de indruk dat wanneer je teveel op je bord hebt het minder goed met je gaat en dat dat ten koste gaat van de kwaliteit van je werk. Ik heb je ook geadviseerd om hierover met iemand in gesprek te gaan. Bijvoorbeeld met je teamleider (of een deskundige voeg ik hier nu aan toe), om te onderzoeken wat je kunt doen om stress en/of werkstuk te voorkomen.”
Daaruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat SWV VO de signalen van [partij A] serieus heeft genomen. [partij A] heeft weliswaar op enig moment bij [naam 1] aangegeven dat hij weer burn-outklachten ervoer en dat dit met name kwam door de intense spanningen op de werkvloer, maar dit was ná zijn ziekmelding. Het had op de weg van [partij A] gelegen om vóór zijn ziekmelding een duidelijk signaal af te geven dat de werkdruk te hoog was en dat dit, zonder verandering, tot (psychische en fysieke) problemen zou leiden. Door dat niet te doen heeft [partij A] SWV VO onvoldoende de mogelijkheid geboden om iets aan de gestelde werkomstandigheden te doen. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat SWV VO verwijtbaar onvoldoende zorg voor de werkomstandigheden heeft gehad.
5.8.
Uit het voorgaande volgt dat [partij A] geen aanspraak kan maken op een billijke vergoeding, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Transitievergoeding en teveel ontvangen salaris
5.9.
[partij A] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding. [partij A] is van mening dat SWV VO de transitievergoeding ten onrechte niet aan hem heeft uitbetaald. SWV VO heeft een bedrag van € 42.094,26 netto aan – volgens haar – teveel betaald salaris over de periode van 21 juni 2023 tot juli 2024 verrekend met de eindafrekening in mei 2025, waar ook de transitievergoeding onderdeel van is. [partij A] stelt dat hij het salaris over de periode van 21 juni 2023 tot 4 april 2024 rechtmatig heeft ontvangen. SWV VO had namelijk op grond van artikel 4 sub a Zavo Pro tot het einde van de arbeidsovereenkomst een loondoorbetalingsverplichting, waarbij zij op grond van artikel 4 sub d Zavo Pro de WIA-uitkering op het salaris in mindering mocht brengen. Nu het UWV op 4 april 2024 (met terugwerkende kracht tot 21 juni 2023) aan [partij A] een WIA-uitkering heeft toegekend, maakte [partij A] tot die datum aanspraak op het (volledige) salaris. [partij A] is daarom van mening dat SWV VO niet tot verrekening kon overgaan.
5.10.
SWV VO erkent dat zij tot het einde van de arbeidsovereenkomst een loondoorbetalingsverplichting had. Zij betwist echter dat [partij A] aanspraak kan maken op het volledige salaris over de periode van 23 juni 2023 tot 4 april 2024, omdat zij de WIA-uitkering hierop in mindering mocht brengen. Nu dat is niet is gebeurd, meent SWV VO dat zij het teveel betaalde salaris op grond van artikel 25 sub a Zavo Pro mocht verrekenen met de eindafrekening in mei 2025, waaronder de transitievergoeding. Aangezien de eindafrekening niet toereikend was om het volledige bedrag te voldoen, verzoekt SWV VO in het tegenverzoek [partij A] te veroordelen om nog een bedrag van € 13.631,10 netto aan haar terug te betalen.
5.11.
De kantonrechter overweegt als volgt.
5.12.
Partijen zijn het erover eens dat SWV VO tot het einde van de arbeidsovereenkomst een loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte had op grond van artikel 4 sub a Zavo Pro, alsmede dat SWV VO het salaris mocht verminderen met de WIA-uitkering op grond van artikel 4 sub d Zavo Pro. Vaststaat dat SWV VO het salaris over de periode van 21 juni 2023 tot juli 2024 niet heeft verminderd met de door [partij A] ontvangen WIA-uitkering. Niet in geschil is dat het gaat om een bedrag van € 42.094,26 netto. Dat bedrag heeft [partij A] dus teveel aan salaris ontvangen. Hij mocht er naar het oordeel van de kantonrechter niet van uitgaan dat hij tot 4 april 2024 aanspraak kon maken op zijn salaris én een WIA-uitkering. Hij wist immers, althans had moeten weten, dat SWV VO het salaris mocht verminderen met de WIA-uitkering. De kantonrechter is daarentegen met [partij A] van oordeel dat SWV VO het teveel betaalde salaris niet mocht verrekenen met de transitievergoeding, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft betoogd. Uit artikel 25 sub a Zavo Pro volgt immers dat SWV VO het teveel betaalde salaris tijdens ziekte kan verrekenen met uitkeringen op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs, dan wel de Werkloosheidsregeling onderwijspersoneel voortgezet onderwijs. De transitievergoeding is geen uitkering op grond van een van genoemde besluiten of regelingen, maar op grond van de wet. Dat betekent dat SWV VO de transitievergoeding van € 41.507,39 bruto aan [partij A] moet betalen. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding is, in lijn met artikel 7:686a lid 1 BW, toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 juli 2025.
5.13.
Het vorenstaande neemt niet weg dat vaststaat dat SWV VO over de periode van 21 juni 2023 tot juli 2024 teveel salaris aan [partij A] heeft betaald. SWV VO kan dit bedrag op grond van artikel 25 sub a Zavo Pro (als onverschuldigd betaald) terugvorderen. [partij A] meent echter, althans zo begrijpt de kantonrechter, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat SWV VO nog aanspraak kan maken op (volledige) terugbetaling hiervan, omdat zij de WIA-uitkering pas vanaf juli 2024 in mindering op het salaris heeft gebracht, terwijl [partij A] het administratiekantoor van SWV VO reeds op 13 mei 2024 per mail heeft geïnformeerd over de beslissing van het UWV. SWV VO heeft de bekendheid met die mail ter zitting betwist. De kantonrechter is van oordeel dat SWV VO in ieder geval vanaf mei 2024 rekening kon houden met de WIA-uitkering van [partij A] . Vaststaat immers dat de beslissing van het UWV over de hoogte van de WIA-uitkering van 4 april 2024 is. SWV VO heeft in dat kader onvoldoende onderbouwd waarom zij de WIA-uitkering pas vanaf juli 2024 in mindering heeft gebracht op het salaris van [partij A] . De enkele stelling dat er een bezwaarprocedure liep waardoor er onduidelijkheid bestond over de hoogte van de WIA-uitkering, is daarvoor naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende. Bovendien blijkt uit de stukken dat voor SWV VO duidelijk was dat het om een bedrag van € 3.874,81 bruto per maand ging. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat SWV VO nog aanspraak maakt op terugbetaling van het teveel betaalde salaris over mei en juni 2024. Volgens het door SWV VO als productie 42 overgelegde overzicht, dat door [partij A] niet is betwist, gaat het in totaal om een bedrag van (4.933,01 (mei 2024 inclusief vakantiegeld) + 2.982,61 (juni 2024) =) € 7.915,62 netto. Dat betekent dat nog een bedrag van (42.094,26 -/- 7.915,62 =) € 34.178,64 netto aan teveel betaald salaris resteert. Dat bedrag mocht SWV VO naar het oordeel van de kantonrechter verrekenen met de eindafrekening in mei 2025, met uitzondering van de transitievergoeding zoals hiervoor is geoordeeld. In het petitum van haar tegenverzoek heeft SWV VO echter een bedrag van € 13.631,10 netto verzocht. De kantonrechter mag niet meer toewijzen dan wordt verzocht, zodat de kantonrechter [partij A] in het tegenverzoek zal veroordelen tot betaling van € 13.631,10 netto aan (een deel van het) teveel ontvangen salaris.
Niet-genoten vakantie-uren tot 1 juni 2025
5.14.
[partij A] stelt dat hij sinds zijn ziekmelding vakantie-uren heeft opgebouwd, maar dat hij deze niet heeft genoten dan wel uitbetaald heeft gekregen. Hij maakt daarom op grond van artikel 14.1. lid 8 CAO VO aanspraak op € 27.472,39 bruto (613,36 vakantie-uren).
5.15.
SWV VO betwist dat [partij A] nog aanspraak kan maken op compensatie van de gestelde vakantie-uren, omdat er gedurende zijn arbeidsongeschiktheid geen medische belemmeringen waren om vakantie op te nemen. De vakantie-uren zijn daardoor op grond van artikel 14.1. lid 8 CAO VO komen te vervallen, aldus SWV VO.
5.16.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat hij geen vakantie heeft kunnen opnemen
wegens arbeidsongeschiktheid, zoals artikel 14.1. lid 8 CAO VO vereist. [partij A] stelt weliswaar dat hij pas vanaf januari 2023 benutbare mogelijkheden had, maar hij heeft verder niet toegelicht waarom hij (eerder) geen vakantie kon genieten. In dit geval komt de kantonrechter echter niet tot het oordeel dat de vakantie-uren daardoor zijn komen te vervallen. Op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de werkgever de werknemer immers op nauwkeurige wijze en tijdig informeren over zijn vakantierechten, zodat de werknemer daar nog gebruik van kan maken. [2] Gesteld noch gebleken is dat SWV VO [partij A] in de gelegenheid heeft gesteld de vakantie-uren alsnog op te nemen, dan wel heeft gewezen op de gevolgen van het niet-opnemen hiervan. Om die reden zijn de vakantie-uren van [partij A] niet vervallen. Dat verweer wordt dus verworpen.
5.17.
SWV VO voert nog aan dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [partij A] geen aanspraak meer zou maken op de niet-genoten vakantie-uren, omdat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eindafrekening. De kantonrechter volgt SWV VO hier niet in, nu het enkele feit dat een werknemer niet protesteert tegen een eindafrekening niet meebrengt dat hij geen aanspraak meer kan maken op eventuele vergoedingen bij het einde van de arbeidsovereenkomst.
5.18.
SWV VO heeft niet betwist dat de waarde van de resterende vakantie-uren € 27.472,39 bruto bedraagt. Zij stelt slechts dat het aantal vakantie-uren moet worden aangepast aan de vastgestelde vakantie-uren waarin [partij A] geen vakantie heeft kunnen genieten. Het is echter aan de werkgever om een deugdelijke administratie te voeren, zodat het op de weg van SWV VO had gelegen om haar verweer met stukken te onderbouwen. Nu zij dit niet heeft gedaan, zal het verzochte bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals in de beslissing vermeld.
Schadevergoeding
5.19.
[partij A] maakt voorts aanspraak op schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW Pro dan wel 6:162 BW. Die schade komt volgens [partij A] neer op een bedrag van € 16.110,96 bruto. Hij stelt dat SWV VO ten onrechte niet heeft meegewerkt aan zijn verzoek om het basisbudget te gebruiken voor het verhogen van de pensioenaanspraken op grond van de CAO VO.
5.20.
SWV VO is van mening dat [partij A] daar geen aanspraak op kan maken, aangezien hij de keuze om de uren van het basisbudget te kapitaliseren en de waarde hiervan te besteden aan de verhoging van pensioenaanspraken, nooit heeft gemaakt. SWV VO stelt dat het niet mogelijk is om die keuze nog aan het einde van de arbeidsovereenkomst (met terugwerkende kracht) te maken. SWV VO kan hiervoor dan ook niet aansprakelijk worden gehouden.
5.21.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] de toerekenbare tekortkoming dan wel het onrechtmatig handelen van SWV VO, tegenover van de gemotiveerde betwisting van SWV VO, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de tekst van artikel 7 van Pro de diverse CAO’s VO uit de verschillende jaren blijkt dat werknemers jaarlijks de beschikking krijgen over een keuzebudget. SWV VO heeft gesteld dat ieder schooljaar in november met medewerkers de keuze voor het inzetten van het keuzebudget wordt gemaakt en dat [partij A] in 2021 de keuze heeft gemaakt om dit budget in te zetten voor verlof. [partij A] heeft dat niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. Deze keuze kan hij daarom niet in 2025 ongedaan maken voor de jaren ervoor. Van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatig handelen is dan ook naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Op dit punt had meer van [partij A] mogen worden verwacht. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
5.22.
De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten
in het verzoekte compenseren, omdat beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld. SWV VO maakt in het tegenverzoek aanspraak op vergoeding van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten. De kantonrechter zal dat verzoek afwijzen, nu geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door [partij A] . Vanwege de samenhang tussen het verweer in het verzoek en het tegenverzoek, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten
in het tegenverzoekeveneens te compenseren.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het verzoek van [partij A]
6.1.
veroordeelt SWV VO om aan [partij A] een bedrag van € 41.507,39 bruto te betalen aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juli 2025, tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt SWV VO om aan [partij A] een bedrag van € 27.472,39 bruto te betalen aan niet-genoten vakantie-uren tot juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid, tot aan de dag van volledige betaling,
in het tegenverzoek van SWV VO
6.3.
veroordeelt [partij A] om aan SWV VO een bedrag van € 13.631,10 netto te betalen aan teveel ontvangen salaris,
in het verzoek van [partij A] en in het tegenverzoek van SWV VO
6.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
6.5.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 6.1., 6.2. en 6.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, [3]
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.F. Dam en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, C (MvA), p. 113).
2.HvJ EU, 6 november 2018, C-684/16, ECLI:EU:C:2018:338
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.