ECLI:NL:RBDHA:2026:11516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL26.15684
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b VbArt. 5 Richtlijn 2008/115Art. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd gerechtvaardigd door het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren, gebaseerd op zowel zware als lichte gronden die eiser niet betwistte.

Eiser stelde dat het beginsel van non-refoulement onvoldoende was gemotiveerd in de maatregel, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder dit beginsel wel degelijk kenbaar had betrokken en dat eerdere procedures dit risico reeds hadden onderzocht. Ook de ambtshalve toetsing door de rechtbank bevestigde de rechtmatigheid van de maatregel.

Daarnaast voerde de gemachtigde van eiser aan dat zij niet in de gelegenheid was geweest om rechtsbijstand te verlenen tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring. De rechtbank stelde vast dat verweerder redelijke inspanningen had geleverd om rechtsbijstand te waarborgen, waaronder een piketmelding, en dat eiser ermee had ingestemd het gehoor zonder advocaat te laten plaatsvinden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15684

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Allachi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Rechtsbijstand tijdens het gehoor
De gemachtigde van eiser stelt dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om bij het gehoor aanwezig te zijn en daarmee eiser rechtsbijstand te bieden. Volgens de gemachtigde is zij voorafgaand aan het gehoor telefonisch benaderd met de vraag of zij aanwezig wilde zijn, waarop zij bevestigend heeft geantwoord onder de voorwaarde dat zij telefonisch zou worden geïnformeerd over het moment van het gehoor. De gemachtigde voert aan dat zij vervolgens, terwijl zij in afwachting was van dit telefoontje, niet is benaderd. Nadat zij zelf aan het eind van de dag contact heeft gezocht, bleek dat het gehoor reeds had plaatsgevonden zonder dat de (piket)advocaat daarbij aanwezig was geweest. De gemachtigde betoogt dat hiermee het verdedigingsbeginsel is geschonden, nu zij niet de mogelijkheid heeft gehad om rechtsbijstand te verlenen tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring. Gelet op de ernst van deze schending stelt gemachtigde zich op het standpunt dat, bij een belangenafweging, dit gebrek in het voordeel van eiser dient uit te vallen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van gehoor volgt dat verweerder heeft geprobeerd contact op te nemen met eisers voorkeursadvocaat, maar daarin niet is geslaagd omdat deze niet langer stond ingeschreven in het register van de Raad voor Rechtsbijstand. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder hiervan geen verwijt worden gemaakt. Onder deze omstandigheden was de gemachtigde van eiser immers niet op de gebruikelijke wijze te benaderen of in te schakelen ten tijde van het gehoor. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder, in een poging om eiser alsnog te voorzien van rechtsbijstand, een piketmelding heeft aangemaakt. Daarmee heeft verweerder een redelijke inspanning geleverd om de belangen van eiser te waarborgen. Dat het gehoor, twee uur na het doen van de piketmelding, is gestart zonder dat een piketadvocaat aanwezig was vanwege het uitblijven van een reactie, doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft hiermee gehandeld in overeenstemming met paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ermee heeft ingestemd dat het gehoor zonder aanwezigheid van een advocaat zou plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Beoordeling van het beginsel van non-refoulement
5. Eiser voert aan dat verweerder in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een risico op schending van het beginsel van non-refoulement. Hoewel in de maatregel weliswaar in algemene zin een blok tekst is opgenomen over dit beginsel, stelt eiser dat dit niet kan worden aangemerkt als een toereikende en kenbare beoordeling van het risico op refoulement. Volgens eiser ontbreekt een concrete en op zijn persoonlijke omstandigheden toegespitste motivering in de maatregel, waaruit blijkt dat verweerder daadwerkelijk heeft onderzocht of uitzetting in strijd zou komen met het non-refoulementbeginsel.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1647) stelt de rechtbank vast dat verweerder het beginsel van non-refoulement kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling. Uit de maatregel blijkt dat in het kader van de beoordeling van een lichter middel expliciet aandacht is geweest voor het risico op refoulement. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de vraag of uitzetting in strijd zou komen met het beginsel van non-refoulement reeds aan de orde is geweest in eerdere procedures van eiser, waaronder zijn voorgaande bewaring en asielprocedures. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de maatregel voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een risico op schending van het non-refoulementbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.