Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11571

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.13424
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18, eerste lid, onder d, Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 14 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit onderzoek bleek dat hij eerder in Duitsland internationale bescherming had aangevraagd, waarna Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar diende geen beroepsgronden in. De rechtbank gaf hem de mogelijkheid om dit te herstellen, maar eiser maakte hiervan geen gebruik. De rechtbank overwoog dat het beroep daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard volgens artikel 6:5 en Pro 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank onderzocht ook de Bahaddar-exceptie, die niet-ontvankelijkheid kan voorkomen bij bijzondere omstandigheden die aantonen dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank vond echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een dergelijke schending. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Harting en griffier E. op den Kamp op 24 april 2026 in Rotterdam.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die overdracht aan Duitsland verhinderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13424

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Eiser heeft geen beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft eiser verzocht om toestemming om zonder zitting uitspraak te doen. Bij bericht van 1 april 2026 heeft de gemachtigde van eiser die toestemming gegeven. Verweerder heeft telefonisch toestemming verleend. De rechtbank heeft het onderzoek op 7 april 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op zitting. Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Eiser heeft op 14 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 22 juni 2021 en 25 maart 2024 in Duitsland verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Uit onderzoek in het Schengen Informatiesysteem blijkt dat Duitsland de tweede aanvraag heeft afgewezen op 27 maart 2024. Op 27 november 2025 heeft verweerder aan de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 2 december 2025 hebben de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek op die grondslag aanvaard.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid van het beroep
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep van eiser ontvankelijk is.
3.1.
Een beroepschrift moet ten minste de gronden van het beroep bevatten. Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als daaraan niet is voldaan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. De indiener van het beroep moet dan wel de gelegenheid hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn (artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb).
3.2.
Op 10 maart 2026 heeft eiser een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift bevat geen gronden van beroep. De rechtbank heeft eiser op 11 maart 2026 in de gelegenheid gesteld het verzuim uiterlijk 18 maart 2026 te herstellen door alsnog gronden van beroep in te dienen. De rechtbank heeft eisers verzoek om uitstel toegewezen, maar uiteindelijk heeft eiser laten weten geen gronden van beroep meer te zullen indienen.
3.3.
Nu er, ook na de geboden hersteltermijn, geen gronden van beroep zijn ingediend, ziet de rechtbank in beginsel aanleiding om het beroep van eiser met toepassing van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.
Bahaddar-exceptie
4. Van niet-ontvankelijkverklaring op grond van nationale procedureregels moet echter worden afgezien als er zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden voordoen, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Bahaddar tegen Nederland van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 17 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2091. Zulke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor als wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat artikel 3 van Pro het EVRM zou schenden (vgl. de Afdelingsuitspraak van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1856).
4.1.
Verweerder mag ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan (vgl. de Afdelingsuitspraak van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588). Dit betekent dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen ten aanzien van eiser zal nakomen en dat hij bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Eisers verklaringen tijdens het Dublingehoor van 11 december 2025 zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om dit vermoeden te weerleggen. Mocht eiser zich na overdracht aan Duitsland geconfronteerd zien met problemen, dan ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de Duitse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
4.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er zich geen ‘Bahaddar-omstandigheden’ voordoen.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.