Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11594

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL25.56969 en NL25.56970
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c VwArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieVreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit buiten behandeling stellen asielaanvraag wegens ontbreken refoulementbeoordeling

Eiser, van Somalische nationaliteit, diende zijn derde asielaanvraag in nadat eerdere aanvragen waren afgewezen. De minister stelde de aanvraag buiten behandeling omdat eiser niet op het gehoor verscheen en geen geldige reden gaf voor zijn afwezigheid. Eiser gaf aan zich te hebben verslapen en de taxi gemist te hebben, maar leverde geen schriftelijke zienswijze.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag buiten behandeling stelde, omdat eiser niet had aangetoond dat zijn niet verschijnen niet aan hem toe te rekenen was. Wel had de minister volgens de rechtbank een geactualiseerde refoulementbeoordeling moeten maken voorafgaand aan de uitvoering van het terugkeerbesluit dat tegen eiser was uitgevaardigd.

De minister had dit nalaten, ondanks dat eiser onder meer een rapport en landeninformatie had overgelegd die aanleiding konden geven tot een dergelijke beoordeling. De rechtbank vernietigde daarom het bestreden besluit en gaf de minister zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen met een geactualiseerde refoulementbeoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.56969 (beroep)
NL25.56970 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Procesverloop

Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 november 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser niet op het gehoor is verschenen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat hij niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W.J. Kenned als tolk in de Somalische taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan deze procedure vooraf ging
1. Dit is de derde asielaanvraag van eiser. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1996. Aan zijn eerdere asielaanvraag, in 2021, heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Mogadishu, en dat hij vanwege een incident bij zijn werk wordt gezocht door Al Shabaab. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen die afwijzing beroep ingesteld; dat beroep is op 26 oktober 2022 ongegrond verklaard. [1]
2. Vervolgens heeft eiser op 5 december 2022 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Daarbij heeft hij een document overgelegd, volgens zijn eigen verklaring een verklaring van het politiebureau van 14 november 2022 dat zijn echtgenote op 26 februari 2020 aangifte heeft gedaan omdat zij vanwege hem wordt bedreigd door Al Shabaab. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser geen vertaling van dat document heeft overgelegd.
De huidige procedure
3. Op 17 oktober 2024 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend. Hij heeft bij deze aanvraag een vertaling van de verklaring van het politiebureau gevoegd. Daarnaast heeft hij een rapport van professor [persoon 1] van de University of Saint Andrews overgelegd over de situatie in Somalië in het algemeen en de situatie van eiser in het bijzonder. Tot slot heeft eiser bij zijn aanvraag diverse verwijzingen naar landeninformatie gevoegd.
3.1.
Bureau Documenten van de IND [2] heeft de verklaring van de politie onderzocht en op 3 september 2025 geconcludeerd dat er geen onregelmatigheden zijn aangetroffen, maar dat geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het document vanwege het ontbreken van voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal. Ook kan geen uitspraak worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document en kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.
3.2.
Eiser is uitgenodigd om op 29 oktober 2025 om 09:00 uur te worden gehoord. Hij is op dat gehoor niet verschenen. Vervolgens heeft de minister nog diezelfde dag een voornemen uitgebracht, waarin staat:
“Toen is gebleken dat u niet aanwezig was is er contact met u opgenomen en bent u in de gelegenheid gesteld om op eigen gelegenheid naar locatie te komen. U hebt dit echter nagelaten en aangegeven dat u niet zal komen zonder een reden hiervoor te geven. U hebt niet aangetoond dat dit niet aan u is toe te rekenen. U hebt geen geldige reden gegeven voor het niet verschijnen bij het gehoor.”Aan eiser is de gelegenheid gegeven om binnen twee weken contact op te nemen. Als hij dat niet doet, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
3.3.
In het dossier bevindt zich een telefoonnotitie van 29 oktober 2025 14:46 uur van de hoor- en beslismedewerker die het voornemen heeft geschreven. Hierin staat:
“ [persoon 2] belt naar aanleiding van het feit dat er een BBS voornemen is verstuurd. Geeft aan dat cliënt de taxi zou hebben gemist en of hij opnieuw uitgenodigd kan worden. Overlegd met (…), meneer heeft twee weken voor de zienswijze. Als er naar aanleiding van de zienswijze redenen zijn om meneer opnieuw uit te nodigen dan zullen wij dat doen.”
3.4.
Eiser heeft geen schriftelijke zienswijze ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.
Het beroep van eiser
4. Eiser voert aan dat de minister de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Hij had zich op de ochtend van het gehoor verslapen. Hij heeft zich wel gemeld bij de balie van het AZC, maar toen was de taxi al vertrokken. De advocaat heeft daarna echter met de hoormedewerker gebeld, en de situatie uitgelegd. Eiser kon niet op eigen gelegenheid naar de hoorlocatie komen, omdat hij daarvoor geen geld had en omdat hij geen Nederlands of Engels spreekt. Het telefoontje van de advocaat naar aanleiding van het voornemen moet worden gezien als de zienswijze.
4.1.
In artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [3] staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel buiten behandeling kan worden gesteld als de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen.
4.2.
De minister heeft deze mogelijkheid tot buiten behandeling stelling uitgewerkt in paragraaf C2/8 van de Vc [4] . Daarin staat dat de IND bij het beoordelen van de toerekenbaarheid betrekt of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het niet verschijnen.
4.3.
Uit het voornemen blijkt dat er contact met eiser is opgenomen toen hij niet op het gehoor verscheen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om nog naar de hoorlocatie te komen, maar dit is niet gebeurd. Nadat het voornemen is uitgebracht heeft de gemachtigde van eiser contact opgenomen met de hoormedewerker. Die heeft toen aangegeven dat er twee weken zijn om een zienswijze in te dienen en dat eiser opnieuw zou worden uitgenodigd voor een gehoor als de zienswijze daartoe aanleiding zou geven. Deze mededeling is in overeenstemming met artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en met het beleid. Eiser heeft echter geen zienswijze ingediend en geen nadere onderbouwing gegeven. Hij heeft dus niet aangetoond dat het niet verschijnen niet aan hem toe te rekenen is. De beroepsgrond slaagt niet.
Het arrest Ararat [5]
5. Ter zitting heeft de rechtbank ambtshalve aan de orde gesteld of het arrest Ararat ook van toepassing is in de situatie dat de minister een aanvraag buiten behandeling stelt. Aan eiser is immers bij de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag een terugkeerbesluit opgelegd. In het bestreden besluit staat dat eiser al een terugkeerbesluit heeft en Nederland onmiddellijk moet verlaten.
5.1.
In het arrest Ararat heeft het Hof geoordeeld dat de nationale autoriteit verplicht is om vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken. Een dergelijke beoordeling moet onderscheiden en autonoom zijn ten opzichte van de refoulementbeoordeling die de nationale autoriteit ten tijde van de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft verricht. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft vervolgens overwogen dat de minister in dat verband een onderzoeksplicht heeft en op basis van gegevens uit het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. [6]
5.2.
Het bestreden besluit bevat geen geactualiseerde refoulementbeoordeling. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijke beoordeling niet hoeft te worden gemaakt wanneer een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, omdat de buiten behandeling wordt opgevat als een impliciete intrekking van de asielaanvraag. De minister heeft ook hoger beroep ingesteld tegen uitspraken waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat die beoordeling in dat geval wél moet worden gemaakt.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het arrest Ararat geen concrete aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de minister in dit geval geen geactualiseerde refoulementbeoordeling hoefde te maken. Er is tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waardoor het op de weg van de minister had gelegen te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitvoering van het tegen hem uitgevaardigde terugkeerbesluit. In dit geval had de minister daar ook uitdrukkelijk de mogelijkheid toe, aangezien eiser onder andere het rapport van professor [persoon 1] had overgelegd en had verwezen naar diverse landeninformatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit ten onrechte niet gedaan. Het beroep is ook om deze reden gegrond.

Conclusie en gevolgen

6. De minister heeft ten onrechte geen refoulementbeoordeling gemaakt. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en geeft de minister de mogelijkheid om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden
.
8. Nu het beroep gegrond is bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.56969:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.56970:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.In de zaak met nummer NL22.15527.
2.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
6.Uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.