Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16663 en NL26.16665
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van 24 maart 2026 waarin de minister van Asiel en Migratie hun asielaanvragen niet in behandeling nam, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eisers voerden aan dat zij in Duitsland onvoldoende medische zorg kregen en dat zij teruggestuurd zouden worden naar Irak/Koerdistan.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het Duitse asiel- en opvangsysteem zodanige tekortkomingen vertoont dat zij een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook zijn er geen bijzondere individuele omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken.

De rechtbank wijst erop dat de Duitse autoriteiten de verzoeken om internationale bescherming opnieuw zullen beoordelen en dat eisers aanspraak maken op noodzakelijke medische zorg in Duitsland. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.16663 en NL26.16665

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser en [eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres

hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 24 maart 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben ieder voor zich tegen het aan hun bekend gemaakte bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Eisers stellen te zijn geboren op [datum 1] 1969 (eiser) en [datum 2] 1963 (eiseres) en de Iraakse nationaliteit te hebben. Eisers zijn met elkaar gehuwd en hebben gelijktijdig op 28 november 2025 in Nederland asielaanvragen ingediend.
Verweerder heeft deze asielaanvragen niet in behandeling genomen. [1] Uit Eurodac en de verklaringen van eisers is gebleken dat Duitsland eerder asielaanvragen van eisers heeft afgewezen. Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening [2] heeft Nederland op 16 januari 2026 aan Duitsland verzoeken gedaan om eisers terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben die verzoeken op 20 januari 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Duitsland vaststaat.
3. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om de asielaanvragen zelf in behandeling te nemen. In dit kader voeren zij aan dat Duitsland hen wilde terugsturen naar Irak/Koerdistan. Verder wijzen eisers op hun verklaringen dat zij in Duitsland onvoldoende medische zorg hebben gekregen.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is en dat om die reden een zitting niet nodig is. Zij overweegt daartoe als volgt.
5. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn Unierechtelijke en internationale verplichtingen nakomt. Dat is bevestigd in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [3] Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige, systematische tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [4] of artikel 4 van Pro het Handvest [5] .
6. Verweerder heeft kunnen besluiten om de asielaanvragen niet onverplicht in behandeling te nemen, [6] omdat evenmin sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eisers van onevenredige hardheid getuigt. De gestelde omstandigheid dat eisers eerder vanuit Duitsland teruggestuurd zouden worden naar hun land van herkomst, is een uitvloeisel van de afwijzing van hun asielaanvragen in Duitsland en dus geen bijzondere omstandigheid. Buiten de vraag naar systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem, wordt de wijze waarop de asielaanvragen in Duitsland zijn beoordeeld niet door verweerder beoordeeld. Daarbij hebben de Duitse autoriteiten met de aanvaarding van de terugnameverzoeken toegezegd de verzoeken om internationale bescherming van eisers (opnieuw) te zullen beoordelen.
7. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat Duitsland gebonden is aan de Europese asielrichtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn. Hieruit volgt onder meer dat eisers in Duitsland aanspraak maken op noodzakelijke medisch zorg. Verweerder heeft in dit kader terecht overwogen dat niet is gebleken dat het nodig is dat eisers juist in Nederland medische behandeling krijgen. Indien eisers menen dat Duitsland tekortschiet in medische zorg, is in de bestreden besluiten terecht opgenomen dat het op de weg van eisers ligt om zich daarover in Duitsland te beklagen.
8. De beroepen zullen daarom ongegrond worden verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie.
6.Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.