Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11605

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/16778 en AWB 24/11021
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 7:3 AwbArt. 3 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering uitstel vertrek wegens onvoldoende aantonen ontoegankelijke medische zorg in Egypte

Eiser, een Egyptische vreemdeling die al 40 jaar in Nederland verblijft, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege noodzakelijke medische zorg die hij in Egypte niet zou kunnen ontvangen. Verweerder wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond. Eiser ging in beroep en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische zorg in Egypte feitelijk niet toegankelijk is. Eiser overwoog dat hij geen aanspraak kan maken op een zorgverzekering of pensioen in Egypte, maar kon dit niet concreet onderbouwen. De rechtbank volgde de jurisprudentie van het Paposhvili-arrest en stelde dat eiser zijn individuele situatie voldoende moet aantonen, wat niet is gebeurd.

Daarnaast stelde eiser dat handhaving van het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro (recht op privéleven), vanwege zijn lange verblijf in Nederland en kwetsbaarheid. De rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd en zag geen belemmering voor handhaving van het terugkeerbesluit.

Ten slotte oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht van het horen van eiser in de bezwaarfase heeft afgezien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van uitstel van vertrek wegens ontoegankelijke medische zorg wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/16778 (beroep)
AWB 24/11021 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1958, van Egyptische nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 september 2024 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser is in beroep gegaan tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dat verzoek toe te wijzen. Hij hoeft dus geen griffierecht te betalen.
2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser daartoe heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hieronder zal zij verder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser om aan hem uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw kennelijk ongegrond verklaard. Volgens verweerder heeft eiser – kort samengevat – onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voor hem noodzakelijke zorg niet feitelijk toegankelijk zou zijn. Het is aan eiser om aannemelijk te maken aan de hand van concrete informatie dat de zorg die hij nodig heeft in Egypte niet toegankelijk is voor hem. Eiser heeft dat niet gedaan. Het bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard en daarom is van horen afgezien. Verweerder heeft verder verwezen naar het eerder opgelegde terugkeerbesluit van 28 september 2015 met een onmiddellijke vertrektermijn. De plicht om te vertrekken geldt nog steeds en eiser kan worden uitgezet.
Feitelijk toegankelijke zorg
5. De rechtbank stelt vast dat de medische noodzaak van de behandeling(en) die eiser nodig heeft, niet ter discussie staat. De vraag die voorligt is of de benodigde zorg voor eiser feitelijk toegankelijk is.
5.1.
Eiser voert in dat verband aan dat hij al 40 jaar in Nederland verblijft en geen aanspraak zal kunnen maken op de publieke zorgverzekering in Egypte. Hij kan niet deelnemen aan het Egyptisch pensioenstelsel, omdat hij geen arbeidsverleden van meer dan tien jaar in Egypte heeft. Ook de kosten uit het ‘Karama-fonds’ zijn te laag om te voorzien in de medische kosten van eiser. Verder heeft eiser geen netwerk meer in Egypte, omdat hij al lang in Nederland verblijft.
5.2.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt stukken overgelegd met betrekking tot de gemiddelde kosten die een persoon zou hebben in Egypte voor algemeen levensonderhoud, uitleg van het ‘Karama stelsel’, de kosten van een particuliere zorgverzekering, een email van een zorgverzekeraar in Egypte en in beroep ook een foto van een stuk waaruit zou blijken dat eiser niet ingeschreven staat voor een Egyptisch pensioen.
5.3.
Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de meest recente jurisprudentielijn van de Afdeling een onjuiste lezing van het Paposhvili-arrest [1] geeft. De lat die door de Afdeling [2] en verweerder wordt gelegd met betrekking tot het individualiseren van de aspecten van de feitelijke toegankelijkheid van de zorg, is te hoog. Hiertoe verwijst eiser naar een drietal uitspraken [3] van de Afdeling waar volgens hem uit blijkt dat in die zaken op grond van algemene bronnen de niet-feitelijke toegankelijkheid van de zorg voldoende aannemelijk is gemaakt. Subsidiair voert eiser aan dat informatie die hij heeft overgelegd, voldoende geïndividualiseerd zijn.
5.4.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Paposhvili volgt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [4] loopt. Als de vreemdeling dit bewijs heeft geleverd, waarbij van de vreemdeling geen “clear proof” wordt verwacht, is het aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM weg te nemen. Volgens de Afdeling betekent dit dat de vreemdeling moet aantonen wat de kosten van de door hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst zijn. Verder moet de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, dat aannemelijk maken. [5]
5.5.
De rechtbank is ten aanzien van het primaire standpunt van eiser van oordeel dat verweerder geen onjuist toetsingskader heeft toegepast. De rechtbank volgt verweerder in de motivering dat uit de uitspraken die eiser heeft aangevoerd niet blijkt dat het enkel overleggen van algemene bronnen de feitelijke toegankelijke zorg in een land voldoende aannemelijk kan maken. Uit de uitspraken die eiser heeft overgelegd blijkt namelijk dat de Afdeling de samenhang tussen het medische beeld van de eisers in die zaken en de algemene inkomensinformatie uit het land van herkomst voldoende achtte om te oordelen dat de zorg voor hen niet toegankelijk was. Het medische beeld in die zaken was anders dan die van eiser, nu dat van hem niet duidt op een gestoorde waarneming van de werkelijkheid, een zodanige levensbedreigende aandoening dat eiser bij het stopzetten van de behandeling binnen een week komt te overlijden of een samenstel van fysieke en psychische klachten, waardoor er geen sprake is van vergelijkbare zaken tussen eisers zaak en de aangehaalde zaken. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
5.6.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk geen toegang heeft tot de voor hem noodzakelijke medische behandeling. Om te beginnen heeft eiser de kosten van de benodigde behandeling niet onderbouwd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat deze behandeling vanwege financiële redenen niet voor hem toegankelijk is. Eiser heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn eigen financiële situatie. Uit de stukken die zijn overgelegd met betrekking tot een zorgverzekering, blijkt niet dat eiser geen zorgverzekering kan afsluiten of dat hij geen aanspraak kan maken op een pensioen. De foto van het stuk dat eiser heeft overgelegd met betrekking tot een pensioen is moeilijk leesbaar, maar van wat de rechtbank er wel uit kan opmaken blijkt niet dat hij geen pensioen zou kunnen ontvangen. In het stuk is enkel benoemd dat eiser geen pensioen ontvangt [6] . Hieruit blijkt dus niet dat eiser geen pensioen kan ontvangen. Het argument van eiser dat het niet mogelijk is om een zorgverzekering af te sluiten, omdat hij geen arbeidsverleden van tien jaar heeft, blijkt ook niet uit de stukken die zijn overgelegd. Uit het stuk dat is overgelegd van Allianz blijkt enkel dat bij hen de maximale toegangsleeftijd 59 is. Dat het voor eiser niet mogelijk is om zonder arbeidsverleden van tien jaar een zorgverzekering af te sluiten blijkt daar niet uit.
5.7.
Eiser heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat het in zijn specifieke situatie niet mogelijk is om, eventueel aan de hand van overheidssteun, een zorgverzekering af te sluiten. Uit het stuk dat is overgelegd van het Karama fonds, waar eiser eventueel aanspraak op zou kunnen maken, blijkt dat er eind 2025/2026 ongeveer 1.030 EGP vanuit dat fonds verstrekt kan worden. Dat dit niet genoeg zou zijn voor het afsluiten van een zorgverzekering of het voorzien in de levensonderhoud van eiser is niet onderbouwd. Het overzicht van mogelijke kosten van algemeen levensonderhoud in Egypte biedt evenmin een inzicht in de situatie van eiser nu hier verschillende kosten worden benoemd die niet per definitie van toepassing zijn op de situatie van eiser, zoals kosten voor kinderdagopvang of het huren van een tennisbaan. Eiser heeft enkel een algemene situatie geschetst, maar op geen onderdeel inzicht gegeven in zijn individuele situatie.
5.8.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiser niet heeft voldaan aan zijn bewijslast om te onderbouwen waarom de medische zorg voor hem niet toegankelijk is. De rechtbank ziet daarom ook geen grond voor het oordeel dat verweerder gehouden was om nader onderzoek te verrichten naar de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM
6. Eiser doet een beroep op het Cannabis-arrest [7] en het daar uit voortvloeiende recht op privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Gelet op het lange verblijf van eiser in Nederland, zijn kwetsbaarheid en zijn gebrek aan een vangnet in Egypte, verzet artikel 8 van Pro het EVRM zich tegen het handhaven van het terugkeerbesluit.
6.1.
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat gelet op de goede procesorde het standpunt van eiser niet betrokken dient te worden. Eiser heeft pas drie dagen voor de zitting in deze procedure een standpunt ingenomen over zijn privéleven, dat is volgens verweerder te laat. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser geen sociaal netwerk in Egypte zou hebben of dat op grond van zijn privéleven in Nederland het eerder opgelegde terugkeerbesluit niet gehandhaafd zou kunnen worden.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een strijd met de goede procesorde. De rechtbank heeft tijdens de zitting de zaak geschorst en verweerder heeft zich toen beraden over de beroepsgrond en heeft vervolgens een inhoudelijk standpunt ingenomen. De rechtbank zal dan ook inhoudelijk de beroepsgrond behandelen.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat artikel 8 van Pro het EVRM zich verzet tegen handhaving van het eerder opgelegde terugkeerbesluit. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij een privéleven heeft dat zich hiertegen verzet. Eiser heeft verder niet onderbouwd waar dat uit zou bestaan en/of dat hij niet in staat zou zijn om zijn privéleven in Egypte te hervatten. De enkele stelling dat eiser al voor een lange tijd in Nederland is, is onvoldoende. Niet is gebleken dat de gezondheidstoestand van eiser het recht van eerbiediging van zijn privéleven in de weg staat. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Hoorplicht
7. Eiser voert verder aan dat hij had moeten worden gehoord in de bezwaarfase en dat dit na het expliciete verzoek daartoe ten onrechte niet is gebeurd.
7.1.
Zoals de Afdeling heeft overwogen is het uitgangspunt dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat de minister terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht. [8] Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen, moet worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de bezwaarfase geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht over de feitelijke toegankelijkheid van de zorg in Egypte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond voor verweerder over de mogelijkheid dat het bezwaar zou kunnen leiden tot een ander besluit. Verweerder heeft dus mogen afzien van het horen van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekend dat verweerder de aanvraag van eiser om toepassing te geven aan artikel 64 van Pro de Vw op goede grond heeft afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Nu het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.

Beslissing

De rechtbank in de zaak met nummer AWB 24/16778:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak met nummer AWB 24/11021:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
De griffier is verhinderd te ondertekenenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie het arrest Paposhvili tegen België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.De Afdeling op 27 oktober 2022, ECLl:NL:RVS:2022:3102, 3 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3134, en 1 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1425.
4.Het Europees verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3134 en van 12 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2392.
6.Er staat: “The aforementioned does not have a social account and does not receive any pensions”.
7.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie op 22 november 2022, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913.
8.Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.