ECLI:NL:RBDHA:2026:11874
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Turkije
Eiser, van Turkse nationaliteit en opgegroeid in een Gülenistisch gezin, vreesde vervolging bij terugkeer naar Turkije vanwege zijn politieke overtuiging en het niet vervullen van de militaire dienstplicht. Hij stelde dat zijn familieleden strafrechtelijk werden vervolgd en dat hij zelf in het strafrechtelijk dossier van zijn moeder voorkomt. De minister wees de asielaanvraag af op grond van het gewijzigde beleid (WBV 2025/10) en oordeelde dat de problemen vanwege politieke overtuiging ongeloofwaardig waren en dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestond.
De rechtbank bevestigde dat de minister het beleid correct toepaste en dat de beleidswijziging niet onredelijk was. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor persoonlijke problemen vanwege zijn politieke overtuiging en dat zijn activiteiten in Nederland gering waren. Ook was niet aannemelijk dat hij in de negatieve belangstelling van Turkse autoriteiten stond. Ten aanzien van de militaire dienstplicht oordeelde de rechtbank dat eiser niet als deserteur kon worden aangemerkt en dat er geen vrees voor vervolging was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter G.H.W. Bodt en griffier N. El-Amrani op 13 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.