ECLI:NL:RBDHA:2026:11874
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Turkije
Eiser, van Turkse nationaliteit en opgegroeid in een Gülenistisch gezin, vreesde vervolging bij terugkeer naar Turkije vanwege zijn vermeende banden met de Gülenbeweging en het niet vervullen van de militaire dienstplicht. Hij vluchtte na zijn achttiende verjaardag uit Turkije en vroeg asiel aan in Nederland.
De minister wees de asielaanvraag af op grond van het gewijzigde beleid (WBV 2025/10), waarbij de problemen die eiser stelde niet als geloofwaardig werden beoordeeld en geen gegronde vrees voor vervolging werd vastgesteld. Eiser voerde aan dat het oude beleid van toepassing had moeten zijn en dat zijn politieke overtuiging sterk was, maar de rechtbank oordeelde dat de beleidswijziging niet onredelijk was en dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor zijn beweringen.
De rechtbank stelde vast dat hoewel eiser deelnam aan activiteiten van de Gülenbeweging, hij niet aannemelijk maakte dat hij persoonlijk problemen had ondervonden of dat hij een sterke politieke overtuiging had. Ook was er geen bewijs dat hij in de negatieve belangstelling van Turkse autoriteiten stond. Ten aanzien van de militaire dienstplicht concludeerde de rechtbank dat eiser niet als deserteur kon worden aangemerkt en dat er geen vrees voor vervolging bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter G.H.W. Bodt en griffier N. El-Amrani op 13 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.