ECLI:NL:RBDHA:2026:643

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.31705
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Gülen-aanhanger en beoordeling van vervolgingsrisico in Turkije

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een asielzaak waarbij de eiser, afkomstig uit Turkije, zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had ingediend. De minister van Asiel en Migratie had deze aanvraag afgewezen, wat de eiser aanvocht. De rechtbank beoordeelde de afwijzing en kwam tot de conclusie dat deze niet in stand kon blijven. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had aangetoond dat de eiser, die betrokken was bij de Gülenbeweging, geen risico op vervolging liep bij terugkeer naar Turkije. De rechtbank stelde vast dat de minister de individuele omstandigheden van de eiser niet voldoende had meegewogen en dat de situatie voor Gülen-aanhangers in Turkije nog steeds zorgwekkend was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van de minister en droeg deze op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31705

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. J.V. de Kort).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister hoeft niet alle (toegedichte) Gülenaanhangers als verdragsvluchteling aan te merken. Hij mag het risico op vervolging op basis van een individueel onderzoek beoordelen. Maar die beoordeling is in het geval van eiser onvolledig geweest. Daarom is het beroep gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De rechtbank zet eerst het procesverloop (2), het asielrelaas van eiser (3) en het standpunt van de minister (4) uiteen. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of alle (toegedichte) Gülenaanhangers te vrezen hebben voor vervolging in Turkije (5). Na een negatieve beantwoording van deze vraag beoordeelt de rechtbank of de minister in het geval van eiser toereikend heeft beoordeeld en gemotiveerd dat hij dat risico niet loopt in Turkije (6). De rechtbank sluit af met een conclusie (7).

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende gronden ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend, waarop eiser heeft gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser komt uit Turkije. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Turkije vreest voor vervolging vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Vanaf zijn twaalfde is hij betrokken bij deze beweging. Na de couppoging in juli 2016, waarvan Gülenisten de schuld kregen, heeft eiser zijn activiteiten ondergronds voortgezet. In september 2016 is eiser ontslagen. Deze beslissing heeft hij tevergeefs aangevochten in bezwaar bij de Ohal-commissie. Eiser is daarnaast in 2020 strafrechtelijk onderzocht en verhoord. Deze strafzaak is geseponeerd. Dit sepotbesluit heeft eiser als bewijs ingediend bij zijn beroep tegen het besluit van de Ohal-commissie, maar de bestuursrechter heeft dat beroep afgewezen. Deze uitspraak is in 2024 in hoger beroep bevestigd en nu loopt er nog een cassatiezaak. Eiser heeft er ook op gewezen dat zijn vader en zijn broer [naam broer] strafrechtelijk zijn veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Ook is een vriend, die eerder al was veroordeeld voor betrokkenheid bij de Gülenbeweging en zijn straf had uitgezeten, strafrechtelijk vervolgd in het kader van heropbouwactiviteiten van de Gülenbeweging. Dit is voor eiser de directe aanleiding geweest om Turkije te verlaten, omdat eiser actief met hem heeft samengewerkt om hulp te bieden aan Gülenistische families. In Nederland is eiser ook actief voor de Gülenbeweging.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft eisers identiteit, herkomst en nationaliteit geloofwaardig geacht. Ook acht de minister zijn politieke overtuiging, zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging en zijn activiteiten in Turkije en Nederland geloofwaardig. Dit leidt volgens de minister echter niet tot de conclusie dat hij hierdoor te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. Niet alle (toegedichte) Gülenaanhangers lopen volgens de minister dat risico en eiser heeft onvoldoende met individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij dat risico zelf wél loopt.
Lopen alle (toegedichte) Gülenaanhangers het risico op vervolging in Turkije?
Beroepsgrond
5. Eiser betoogt dat de minister niet heeft onderkend dat uit landeninformatie blijkt dat alle (toegedichte) aanhangers van de Gülenbeweging systematisch worden vervolgd in Turkije. Het per 1 december 2023 gewijzigde beleid, dat volgens eiser tot gevolg heeft gehad dat niet (langer) alle (toegedichte) Gülenaanhangers in aanmerking komen voor een asielvergunning, is daarom onrechtmatig. De minister heeft die beleidswijziging ondeugdelijk gemotiveerd. De algemene situatie in Turkije die aanleiding was voor het tot 1 december 2023 gevoerde beleid is namelijk niet wezenlijk gewijzigd. Dat het aantal vervolgingen in absolute zin is afgenomen is logisch: veel Gülenaanhangers zijn al vervolgd en gevlucht en de Gülenbeweging is inmiddels volledig ontmanteld. Uit algemene informatie blijkt niet dat de aandacht van de autoriteiten voor de Gülenbeweging zou zijn verslapt of afgenomen. Eiser verwijst naar een verklaring van de nationale
veiligheidsraad van Turkije van 30 juli 2025.
Hoe luidde het beleid van de minister tot 2 december 2023?
5.1.
Op 15 juli 2016 heeft in Turkije een mislukte couppoging plaatsgevonden. Volgens de Turkse autoriteiten stond de door Fethullah Gülen geleide beweging aan de basis van deze staatsgreep. Sinds mei 2016 wordt de Gülenbeweging door de Turkse autoriteiten als een terroristische organisatie aangeduid. Sindsdien zijn Gülenaanhangers op grote schaal doelwit van arrestaties op basis van terrorisme-gerelateerde aanklachten.
De minister heeft hierin niet direct aanleiding gezien om het landgebonden asielbeleid voor Turkije op dit punt aan te passen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 13 februari 2019 [2] overwogen dat uit de in die zaak betrokken cijfers niet volgt dat elke Gülenist strafrechtelijk wordt vervolgd, maar dat de betrokken informatie wel blijk geeft van een complexe en diffuse situatie in Turkije. De Afdeling heeft in die zaak overwogen dat de minister de door de betrokkene aangedragen ernstige redenen om te vrezen dat Gülenisten als groep een reëel risico lopen te worden gearresteerd, niet had weggenomen. Daarom heeft de minister, aldus de Afdeling, ondeugdelijk gemotiveerd dat Gülenisten in Turkije niet systematisch strafrechtelijk worden vervolgd en alleen al daarom ook niet als groep het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
In oktober 2019 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een algemeen ambtsbericht over Turkije uitgebracht. Naar aanleiding hiervan heeft de minister bij brief van 4 februari 2020 aangegeven dat hij heeft besloten om (toegedichte) Gülenaanhangers als risicogroep aan te wijzen in het landgebonden asielbeleid voor Turkije. [3] Dit vanwege het willekeurige karakter van de arrestaties, de verregaande gevolgen hiervan en de omstandigheid dat deze nog steeds plaatsvinden. Dat heeft de minister opgenomen in WBV 2020/6. [4] Volgens het toen geldende beleid in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kon de vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid is aangewezen als een risicogroep, indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste bleef van toepassing op de vreemdeling, die behoort tot een risicogroep.
Met WBV 2021/16 [5] is aan het beleid toegevoegd dat als van geringe indicaties niet is gebleken, de risico’s bij terugkeer worden beoordeeld in het licht van de diffuse en
slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur tegen (toegedichte) Gülenisten van de zijde van de Turkse autoriteiten. In de toelichting op WBV 2021/16 staat dat, gelet op die situatie, al snel een risico op vervolging wordt aangenomen, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn waaruit anders blijkt. Hiermee is beoogd de al bestaande uitvoeringspraktijk te verduidelijken. Met WBV 2022/17 [6] is dit beleid ongewijzigd gebleven.
Hoe luidt het beleid van de minister vanaf 1 december 2023?
5.2.
In WBV 2023/24 [7] is de minister teruggekomen van het uitgangspunt van WBV 2021/16 dat snel een risico op vervolging wordt aangenomen, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn waaruit anders blijkt. In de brief die daaraan vooraf is gegaan [8] heeft de minister deze beleidskeuze toegelicht. Volgens de minister blijkt uit het algemeen ambtsbericht over Turkije van augustus 2023 dat voor Gülenaanhangers de strafrechtelijke vervolging is afgenomen in intensiteit. Ook toetsen de rechters volgens deze brief strenger of de overheid de juiste criteria hanteert bij het beoordelen of iemand wordt aangemerkt als Gülenist. Dit betrof onder andere het hebben (gehad) van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app waarmee Gülenisten volgens de Turkse autoriteiten versleutelde berichten naar elkaar zouden sturen. Als gevolg van deze ontwikkelingen kan worden gesteld dat de willekeur die voorheen prominent speelde bij de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten, niet in dezelfde mate aan de orde is. Met deze wijziging op basis van de landeninformatie wordt weer aangesloten bij het gebruikelijke kader voor risicogroepen.
Met ingang van 1 juli 2024 is het groepenbeleid in algemene zin gewijzigd. [9] Het eerdere groepenbeleid kende risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen. Deze zijn in het nieuwe groepenbeleid vervangen door (groepen met) risicoprofielen. Dit betekent dat het
criterium dat bij ‘geringe of beperkte indicaties’ een gegronde vrees voor vervolging of
ernstige schade bij terugkeer aannemelijk wordt geacht, is komen te vervallen. Daarmee
heeft de minister meer gewicht willen toekennen aan de individuele omstandigheden van een betrokkene bij de beoordeling van de asielaanvraag.
In lijn hiermee heeft de minister met WBV 2024/12 (toegedichte) Gülenaanhangers aangemerkt als risicoprofiel. [10] Dat beleid heeft de minister naar aanleiding van het algemeen ambtsbericht van februari 2025 met WBV 2025/10 voortgezet. [11]
Is het toegepaste beleid aanvaardbaar?
5.3.
In het bestreden besluit heeft de minister het in WBV 2025/10 opgenomen beleid toegepast. De rechtbank dient te beoordelen of dít beleid aanvaardbaar is. Het gaat dus niet om het eerdere beleid en ook niet om de vraag of de situatie voor Gülenaanhangers in Turkije zodanig is gewijzigd dat daarin een reden te vinden was om dat eerdere beleid te wijzigen. Het beleid
isgewijzigd en het staat de minister in beginsel vrij om beleid te wijzigen naar ander aanvaardbaar beleid. Een dergelijke beleidswijziging kan berusten op een wijziging in de feitelijke situatie, maar ook op een gewijzigde beoordeling van de veiligheidssituatie of verband houden met een beleidsmatige afweging. Dat betekent dat niet beoordeeld hoeft te worden of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de situatie van Gülenaanhangers in Turkije voldoende is verbeterd. [12] Wat wél moet worden beoordeeld is of de minister, gelet op de beschikbare algemene informatie, terecht heeft geconcludeerd dat niet iedere Gülenaanhanger bij terugkeer naar Turkije heeft te vrezen voor vervolging en hij daarom per geval aan de hand van de individuele omstandigheden die vrees beoordeelt. Daarop zal de rechtbank hierna ingaan.
5.3.1.
De situatie vlak na de staatsgreep van juli 2016 was uiterst zorgwekkend. Naar aanleiding van de mislukte staatsgreep heerste er van 21 juli 2016 tot 19 juli 2018 de noodtoestand in Turkije. De vervolging van de Gülenbeweging was prioriteit voor de Turkse regering en (toegedichte) aanhangers van de beweging waren doelwit van arrestaties met willekeurige grondslag en van strafprocessen met minimale bewijslast. Volgens het ambtsbericht van 2019 over Turkije werden meer dan 150.000 personen onder de noodtoestand in hechtenis genomen en meer dan 78.000 personen werden gearresteerd op basis van terrorismegerelateerde aanklachten, van wie 50.000 personen eind mei 2019 nog steeds in de gevangenis zaten. [13]
5.3.2.
In het ambtsbericht van augustus 2023 staat dat de situatie nog steeds zorgelijk is. Met regelmaat vonden arrestaties op grotere of kleine schaal plaats van (vermeende) Gülenisten. Op (bijna) dagelijkse basis verschenen er mediaberichten over arrestaties van (vermeende) Gülenisten. Net als onder eerdere ambtsberichten verschenen er weinig vervolgberichten over het lot van de gearresteerde personen. Daarom bleef het onduidelijk hoeveel arrestanten in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd. [14] Ook volgt uit het ambtsbericht dat mensen relatief gemakkelijk konden worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. [15] In het ambtsbericht van februari 2025 staat dat de Turkse autoriteiten in de verslagperiode doorgingen met de vervolging van (vermeende) Gülenisten. [16]
5.3.3.
Uit de ambtsberichten van 2023 en 2025 volgt echter ook dat de vervolging van (vermeende) Gülenisten in intensiteit is afgenomen in vergelijking met de periode vlak na de mislukte staatsgreep in juli 2016. Dit had volgens bronnen die aan het ambtsbericht van 2023 ten grondslag liggen enerzijds te maken met het feit dat de meerderheid van (vermeende) Gülenisten inmiddels strafrechtelijk was vervolgd of uitgeweken naar het buitenland. Anderzijds is als reden opgegeven dat de Turkse regering haar negatieve aandacht had verlegd van de Gülenbeweging naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+-gemeenschap. [17] In het ambtsbericht van 2025 staat dat de aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van (vermeende) Gülenisten relatief laag waren in vergelijking met de situatie van voor 2020, net als de aantallen gedwongen ontslagen, omdat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving reeds waren ontslagen dan wel strafrechtelijk onderzocht en vervolgd. De daling in de aantallen arrestaties en detenties bleek volgens het ambtsbericht van 2025 ook uit de cijfers die de Turkse autoriteiten beschikbaar stelden. Deze daling had als reden dat steeds meer Gülenisten hun gevangenisstraf hadden uitgezeten.
In het ambtsbericht van augustus 2023 is ook gewezen op ontwikkelingen in de rechtsgang in Turkije: rechters zijn strenger gaan toetsen of criteria zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app kunnen worden beschouwd als een activiteit ten behoeve van de Gülenbeweging. [18] In het ambtsbericht van 2025 staat wel dat een bron heeft vermeld dat het onduidelijk was in hoeverre de uitspraken in de praktijk werden toegepast in de rechtsgang. Doordat sommige lagere rechtbanken uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden was er in de justitiële sector een onoverzichtelijke situatie ontstaan. [19]
Tot slot staat in het ambtsbericht van 2025 [20] , net als in eerdere ambtsberichten, [21] dat met name (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat in de negatieve belangstelling stonden bij de Turkse autoriteiten. Vooral Gülenistische cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbare aanklagers trokken de negatieve aandacht van de Turkse overheid. Dat met name (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat in de negatieve belangstelling stonden, blijkt volgens dit ambtsbericht ook uit de data van het Turkse ministerie van Binnenlandse Zaken: bij operaties tussen 10 januari en 23 oktober 2024 waren in de meeste gevallen militairen, politieagenten en medewerkers van justitie opgepakt. Het ambtsbericht vermeldt echter ook dat niet alle opgepakte Gülenverdachten tot de politie, het leger en het ambtenarenapparaat behoorden. Er was sprake van een ‘restcategorie’, waartoe onder andere burgers behoorden die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en/of hun familieleden hielpen.
5.4.
De rechtbank leidt uit deze informatie af dat de situatie voor Gülenaanhangers nog steeds zorgwekkend is en dat arrestaties van (vermeende) Gülenaanhangers op grote schaal voorkomen. Dat de intensiteit van de vervolging sinds de periode direct na de mislukte staatsgreep in 2016 is afgenomen betekent op zichzelf niet dat dit een indicatie is voor de te verwachten risico’s bij terugkeer. Deze daling is in het ambtsbericht namelijk ook teruggevoerd op het feit dat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving al waren ontslagen, strafrechtelijk onderzocht en vervolgd of het land hadden verlaten. Ook laat deze geschetste trend volgens het ambtsbericht onverlet dat de Turkse autoriteiten in de verslagperiode doorgingen met de vervolging van (vermeende) Gülenisten. Het ambtsbericht bevat echter ook indicaties dat het risico voor Gülenaanhangers bij terugkeer niet voor iedereen gelijk is: met name (vermeende) Gülenaanhangers binnen het veiligheids- of justitiële apparaat staan in de bijzondere negatieve belangstelling van de autoriteiten. Dat blijkt ook uit de in het ambtsbericht van 2025 genoemde voorbeelden [22] : bij de operaties die tussen 10 januari en 23 oktober 2024 plaatsvonden, waren in de meeste gevallen militairen, politieagenten en medewerkers van justitie opgepakt. Ook was sprake van een ‘restcategorie’. Tot deze categorie behoorden onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en/of hun familieleden hielpen. Uit deze informatie in het ambtsbericht kan niet worden afgeleid dat iedere Gülenaanhanger, waaronder degenen die zich meer op de achtergrond hielden en daardoor minder zichtbaar waren, soortgelijke risico’s liepen als de in het ambtsbericht genoemde categorieën Gülenaanhangers. Daarnaast noemt het ambtsbericht (van 2023) ook nog een aanvullende oorzaak voor de afgenomen intensiteit, namelijk dat de Turkse autoriteiten hun aandacht in toenemende mate hebben verschoven naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+-gemeenschap. Voorts volgt uit de informatie dat de kans op een strafrechtelijke veroordeling is afgenomen, nu de rechterlijke macht een strengere toets hanteert ten aanzien van indicatoren zoals het aanhouden van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock-app. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat elke (vermeende) Gülenaanhanger in Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft. De minister hoefde eiser dus niet al, zonder individueel onderzoek, wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging als verdragsvluchteling aan te merken. De minister mocht daarom op grond van zijn beleid beoordelen of eiser, gelet op zijn individuele situatie, aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging. De rechtbank zal hierna beoordelen of het standpunt van de minister hierover de rechterlijke toets kan doorstaan.
Heeft eiser op grond van zijn persoonlijke situatie een gegronde vrees voor vervolging?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij, gelet op zijn door de minister geloofwaardig geachte levensovertuiging als Gülenaanhanger, bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging. De minister heeft bij de beoordeling van de vrees niet alle relevante omstandigheden betrokken. Eiser is sinds zijn twaalfde tot de mislukte staatsgreep in juli 2016 op verschillende manieren politiek actief betrokken geweest bij de Gülenbeweging. Dat eiser zich daarna noodgedwongen op de vlakte moest houden betekent niet dat de minister dit ook bij terugkeer van hem kan verlangen. Het is in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie [23] om deze terughoudendheid van eiser te verwachten.
6.1.
De minister acht het niet aannemelijk dat eiser zich in Turkije als Gülenist zal uiten, omdat er geen aanwijzingen zijn dat eiser zich in Turkije eerder actief heeft gemanifesteerd. Dat eiser in Nederland bijeenkomsten heeft bezocht, betekent niet dat hij in Turkije hetzelfde zou doen. De door eiser genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie bevestigt dat een levensovertuiging niet verborgen hoeft te worden, maar vereist wel dat uitingen reëel en geloofwaardig te verwachten zijn. Dat heeft eiser volgens de minister onvoldoende onderbouwd.
6.2.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Y en Z uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Relevante elementen voor deze beoordeling zijn de sterkte van de overtuiging van de betrokkene en eventueel verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen. Het is niet vereist dat de overtuiging van de betrokkene zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten. Volgens het arrest moet een uitputtend en grondig onderzoek worden verricht naar de relevante omstandigheden, waarbij zowel de specifieke persoonlijke situatie van de betrokkene als de bredere context van het land van herkomst in aanmerking moeten worden genomen.
6.3.
De minister heeft naar aanleiding van (de uitspraak van de Afdeling [24] over) dit arrest paragraaf C2/3.2.5.3 van de Vc 2000 over politieke overtuiging gewijzigd. Ook in dit beleid is benadrukt dat de (aannemelijk gemaakte) sterkte van de overtuiging en de mate waarin deze overtuiging is of zal worden geuit relevante persoonlijke omstandigheden zijn bij het onderzoek naar en de beoordeling van een (toegedichte) politieke overtuiging. Deze beoordeling vindt plaats op basis van de individuele verklaringen van de betrokkene in combinatie met de beschikbare algemene informatie over de situatie in het land van herkomst. Bij die beoordeling betrekt de minister welke activiteiten de betrokkene bij terugkeer zou willen verrichten of hoe die anderszins zijn opvatting zou willen uiten, evenals de mogelijke gevolgen daarvan. Daarbij weegt de minister de wijze waarop betrokkene in het verleden uiting heeft gegeven aan zijn overtuiging mee, ongeacht de locatie van die activiteiten. [25]
In IND Informatiebericht 2024/10 is inzichtelijk gemaakt welke omstandigheden bij het bepalen van de aannemelijkheid van de gestelde wens zich op een bepaalde
wijze te uiten en het daaraan verbonden risico op vervolging relevant kunnen zijn. Genoemd zijn onder andere welke activiteiten een betrokkene heeft verricht in het kader van zijn
politieke overtuiging in het land van herkomst.
6.4.
Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard over zijn activiteiten in Turkije voor de Gülenbeweging. Sinds eiser op twaalfjarige leeftijd is ingeschreven op een school van de Gülenbeweging, is hij betrokken bij deze beweging. Eiser nam vanaf toen deel aan zogenoemde sohbets. Hierbij komen groepen mensen bij elkaar onder begeleiding van een mentor, een geestelijke leider, die de sohbet leidt. Dat is hij blijven doen tot 2016. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij vanaf 2010, toen hij begon met zijn werkzaamheden als docent, betrokken is geweest bij de [naam groep]. Hier had eiser een begeleidende rol. Tijdens bijeenkomsten werden plannen gemaakt voor het organiseren van sociale, culturele en religieuze activiteiten. Eiser was verantwoordelijk voor een groep leerlingen die hij begeleiding gaf op het vlak van persoonlijke en religieuze ontwikkeling. Ook organiseerde hij voetbalwedstrijden, gezamenlijke etentjes en hielp hij leerlingen met hun lessen. Deze activiteiten organiseerde hij tot de dag van de coup.
Na 2016 kon hij deze activiteiten niet meer verrichten omdat ze vanaf toen als terroristische activiteiten werden bestempeld. Toch bleef hij heimelijk betrokken bij de Gülenbeweging omdat hij samen met vrienden financiële en materiële ondersteuning gaf aan gezinnen van Gülenisten die hulpbehoevend waren, bijvoorbeeld omdat ouders in de gevangenis waren beland.
6.5.
De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen relevant zijn, als bedoeld in het arrest Y en Z, voor de beoordeling of bij eiser sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Deze verklaringen geven inzicht in de sterkte van de overtuiging van eiser, omdat daaruit blijkt dat hij al sinds zijn twaalfde actief betrokken is bij de Gülenbeweging en hij, ondanks daaraan verbonden risico’s, na de mislukte staatsgreep in 2016 hulp bleef bieden aan families van Gülenaanhangers die om politieke redenen in de gevangenis zaten. Ook blijkt uit die verklaringen dat eisers betrokkenheid bij de Gülenbeweging niet van ondergeschikte aard was: in zijn betrokkenheid bij een [naam groep] had eiser een begeleidende rol, hij organiseerde activiteiten en trad daarmee ook naar buiten. De minister heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden in het besluit. Hij kon niet volstaan met het hiervoor onder 6.1 weergegeven standpunt. Zoals het arrest Y en Z vereist, moet de minister een uitputtend en grondig onderzoek verrichten of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. De minister had daarom op basis van eisers verklaringen over zijn activiteiten voor en na de staatsgreep van 2016 moeten beoordelen of het reëel en geloofwaardig is dat hij zich bij terugkeer in Turkije zal blijven uiten als aanhanger van de Gülenbeweging of ondersteuning zal bieden aan gezinnen van hulpbehoevende (gedetineerde) Gülenisten. Nu de minister dit niet heeft gedaan is het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank ziet geen aanleiding, gelet op de gegrondverklaring, om de overige beroepsgronden te bespreken.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 9 juli 2025;
  • draagt de minister op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
3.TK 2019-2020, 19 637, nr. 2578.
4.Stcrt. 2020 nr. 16571-n1.
5.Stcrt. 2021 nr. 38042. Zie ook de daaraan voorafgaande brief van 8 juli 2021, TK 2020-2021, 19 637, nr. 2754.
6.Stcrt. 2022 nr. 18959. Zie ook de daaraan voorafgaande brief van 13 juni 2022, TK 2021-2022, 19 637, nr. 2900.
7.Stcrt. 2023 nr. 30427.
8.Brief van 28 november 2023, TK 2023-2024, 19 637, 3177.
9.Brief van de minister van 25 juni 2024, TK 2023-2024, 19 637, nr. 3261. De wijziging is aangekondigd en toegelicht in de brief van 5 maart 2024, TK 2023-2024, 19 637, nr. 3211. In een bijlage bij de brief van 29 maart 2024 (TK 2023-2024, 19 637, nr. 3236) heeft de minister een aantal voorbeelden gegeven van fictieve casus (ook van Gülenisten) op verzoek van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer om de introductie van de risicoprofielen voor de beslispraktijk te illustreren.
10.Stcrt. 2024, 19165.
11.Stcrt. 2025, 14790. Zie ook de brief van 30 mei 2025, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3432.
12.Vergelijk ook Rb. Den Haag (zp Arnhem) 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20921, onder 7.3.
13.P. 9, 31 en 35.
14.P. 43 en 44.
15.P. 45. Zie ook p. 50 van het ambtsbericht van 2025.
16.P. 47.
17.P. 44.
18.P. 45.
19.P. 50 en 51.
20.P. 49.
21.Zie ook ambtsbericht 2021, p. 38-40 en ambtsbericht 2022, p. 40.
22.P. 47.
23.HvJEU 5 september 2012 (Y en Z), ECLI:EU:C:2012:518 en HvJEU 21 september 2023 (S en A), ECLI:EU:C:2023:688.
24.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63.
25.Vergelijk ook IND Informatiebericht 2024/10.