AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing asielaanvraag Gülenaanhanger wegens onvolledig individueel onderzoek
Eiser, afkomstig uit Turkije en betrokken bij de Gülenbeweging sinds zijn twaalfde, diende op 14 augustus 2023 een asielaanvraag in die op 9 juli 2025 werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat de minister het risico op vervolging onvoldoende individueel had onderzocht, ondanks het gewijzigde beleid dat niet alle Gülenaanhangers als risicogroep aanmerkt.
De rechtbank analyseerde het gewijzigde beleid van de minister, dat sinds 1 december 2023 uitgaat van een individuele beoordeling van het vervolgingsrisico, mede gebaseerd op recente ambtsberichten die een afname van de intensiteit van vervolging signaleren. De rechtbank erkent dat de situatie in Turkije nog steeds zorgwekkend is, met arrestaties van (vermeende) Gülenaanhangers, vooral binnen veiligheids- en justitiële sectoren.
Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij sinds zijn jeugd actief betrokken was bij de Gülenbeweging, met een begeleidende rol en het organiseren van activiteiten, en na de staatsgreep van 2016 heimelijk hulp bood aan gedetineerde Gülenisten. De minister heeft dit onvoldoende meegewogen en volstond met het standpunt dat eiser zich in Turkije niet actief zou manifesteren.
De rechtbank oordeelt dat de minister een uitputtend en grondig onderzoek had moeten verrichten naar de gegronde vrees voor vervolging op basis van de persoonlijke situatie van eiser. Het besluit is daarom onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd, wat leidt tot vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht aan de minister om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen na een adequaat individueel onderzoek.
Voetnoten
1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
3.TK 2019-2020, 19 637, nr. 2578.
4.Stcrt. 2020 nr. 16571-n1.
5.Stcrt. 2021 nr. 38042. Zie ook de daaraan voorafgaande brief van 8 juli 2021, TK 2020-2021, 19 637, nr. 2754.
6.Stcrt. 2022 nr. 18959. Zie ook de daaraan voorafgaande brief van 13 juni 2022, TK 2021-2022, 19 637, nr. 2900.
7.Stcrt. 2023 nr. 30427.
8.Brief van 28 november 2023, TK 2023-2024, 19 637, 3177.
9.Brief van de minister van 25 juni 2024, TK 2023-2024, 19 637, nr. 3261. De wijziging is aangekondigd en toegelicht in de brief van 5 maart 2024, TK 2023-2024, 19 637, nr. 3211. In een bijlage bij de brief van 29 maart 2024 (TK 2023-2024, 19 637, nr. 3236) heeft de minister een aantal voorbeelden gegeven van fictieve casus (ook van Gülenisten) op verzoek van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer om de introductie van de risicoprofielen voor de beslispraktijk te illustreren.
10.Stcrt. 2024, 19165.
11.Stcrt. 2025, 14790. Zie ook de brief van 30 mei 2025, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3432.
13.P. 9, 31 en 35.
14.P. 43 en 44.
15.P. 45. Zie ook p. 50 van het ambtsbericht van 2025.
16.P. 47.
17.P. 44.
18.P. 45.
19.P. 50 en 51.
20.P. 49.
21.Zie ook ambtsbericht 2021, p. 38-40 en ambtsbericht 2022, p. 40.
22.P. 47.
23.HvJEU 5 september 2012 (Y en Z), ECLI:EU:C:2012:518 en HvJEU 21 september 2023 (S en A), ECLI:EU:C:2023:688.
25.Vergelijk ook IND Informatiebericht 2024/10.