Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard
[derde-partij 1]en
[derde-partij 2]uit [woonplaats] (vergunninghouders).
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“het de eigenaar van het dienend erf niet is toegestaan om gedurende een periode van twintig jaar na heden bij eventuele verbouwing van de op het dienend erf staande opstallen of, na sloop van de op het dienend erf staande opstallen bij nieuwbouw de nokhoogte van de op dienend staande opstallen hoger te laten zijn dan zes meter vijftig centimeter en de goothoogte van bedoelde opstallen hoger te laten zijn dan drie meter dertig centimeter.”Verder is de inhoud van het convenant ook betrokken in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit. De rechtbank ziet met het college niet in dat het bestreden besluit in strijd is met het convenant. Daar kan dus evenmin een evidente privaatrechtelijke belemmering in worden gelezen, voor zover eiser dat betoogt.
“het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 317 (oktober 2012) en diens rechtsopvolger(s)” [5] . De rechtbank constateert dat in de verkeersadviezen van