Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12256

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL25.21140 en NL25.21143
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45b VwArt. 8 EVRMArt. 4 Richtlijn 2003/109/EGArt. 21 VwArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens motiveringsgebrek en schending hoorplicht

Eiser, van Indiase nationaliteit, diende een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser niet ononderbroken vijf jaar rechtmatig in Nederland zou hebben verbleven, met name vanwege een verblijfsgat tussen 28 juni en 18 juli 2022.

De rechtbank oordeelt dat eiser inderdaad niet aan de ononderbroken verblijfseis voldoet, maar constateert dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat omdat verweerder in de bezwaarprocedure geen belangenafweging maakte op grond van artikel 8 EVRM Pro. Tevens is de hoorplicht geschonden doordat eiser niet is gehoord over de belangenafweging.

Hoewel het besluit wordt vernietigd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat verweerder in beroep alsnog een belangenafweging heeft gemaakt en eiser zijn gronden heeft kunnen toelichten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.21140 (beroep)
NL25.21143 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1993, van Indiase nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. H.L.M. Lichteveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Volker).

Inleiding

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’.
1.1.
Met het primaire besluit van 19 december 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en V. Bolt als tolk in de Engelse taal. De gemachtigde van verweerder heeft deelgenomen via een beeldverbinding.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is in het bezit geweest van de volgende verblijfsvergunningen: van
1 september 2019 tot 21 april 2021 voor het doel ‘Studie’, van 21 april 2021 tot 21 april 2022 voor het doel ‘Het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ en van
18 juli 2022 tot 1 januari 2025 voor het doel ‘Arbeid als kennismigrant’. Eiser heeft van december 2019 tot 28 juni 2022 een relatie gehad met een Poolse partner. Eiser heeft op
15 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarde dat hij op het moment van de aanvraag dan wel op het moment van de beslissing minimaal vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft gewoond, op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire standpunt dat sprake is van een verblijfsgat gehandhaafd. Verweerder neemt in het bestreden besluit wel aan dat eiser een relatie heeft gehad met een Poolse partner van december 2019 tot 28 juni 2022 en in die periode dus rechtmatig verblijf heeft gehad als familielid van een burger van de Europese Unie. Die relatie is echter op 28 juni 2022 geëindigd. Verweerder gaat daarom uit van een verblijfsgat van 28 juni 2022 tot 18 juli 2022. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, is afgezien van het horen van eiser.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Is sprake van vijf jaar ononderbroken verblijf direct voorafgaand aan de aanvraag?
6. Op grond van artikel 45b, tweede lid, onder a, van de Vw [1] kan een aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen slechts worden afgewezen indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van Pro de Vw heeft gehad. Dit volgt eveneens uit artikel 4 van Pro de Richtlijn LI [2] . Ook voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf voorafgaand aan de aanvraag een wettelijk vereiste. [3]
7. Niet in geschil is dat eiser voorafgaand aan de aanvraag in totaal meer dan vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Partijen verschillen van mening over de vraag of het verblijf ononderbroken is geweest of dat sprake is van een zogenaamd ‘verblijfsgat’ in deze periode, met name tussen 28 juni en 18 juli 2022.
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet kan worden gesproken van een verblijfsgat. Op 20 april 2022 heeft hij een aanvraag om toetsing aan het EU-recht ingediend op basis van zijn relatie met zijn Poolse partner. Eiser heeft deze aanvraag, nadat de relatie was verbroken, op advies van zijn werkgever op 28 juni 2022 ingetrokken om de weg vrij te maken voor de aanvraag verblijfsvergunning als kennismigrant. Het verblijfsrecht bij de partner is echter declaratoir van aard en wordt rechtstreeks ontleend aan de Richtlijn 2004/38/EG [4] . Volgens eiser is dit verblijfsrecht na het beëindigen van de relatie niet geëindigd, nu verweerder geen beschikking heeft genomen ter vaststelling van de beëindiging van het verblijfsrecht en geen belangenafweging heeft gemaakt. Eiser is dan ook van mening dat hij na 28 juni 2022 nog een formeel beperkt verblijfsrecht had en dat van een verblijfsgat dus geen sprake is. Indien wordt aangenomen dat er wél sprake is van een verblijfsgat, is eiser subsidiair van mening dat dit niet aan de weg hoeft te staan aan het verkrijgen van een verblijfsvergunning langdurig ingezetenen. Artikel 45, tweede lid, van de Vw is namelijk een ‘kan-bepaling’, waardoor verweerder niet verplicht is de aanvraag af te wijzen. Het tegenwerpen van een zeer korte periode van twintig dagen tussen twee lange periodes van rechtmatig verblijf doet afbreuk aan het doel en het nuttig effect van de Richtlijn LI. Ook artikel 21 van Pro de Vw is een ‘kan-bepaling’.
9. De rechtbank stelt voorop dat het ononderbroken verblijf een voorwaarde is voor het toekennen van het verblijfsrecht als langdurig ingezetene. Artikel 45b van de Vw dient immers conform de Richtlijn LI te worden uitgelegd. Uit artikel 4 van Pro Richtlijn LI blijkt dat vijf jaren ononderbroken termijn een voorwaarde is voor het verlenen van een EU-verblijfsvergunning. Als niet is voldaan aan die voorwaarde, moet de minister de aanvraag dus afwijzen. De formulering van artikel 45b, tweede lid, van de Vw maakt dat niet anders.
10. Eiser voldoet niet aan deze voorwaarde. De stelling dat het declaratoir verblijfsrecht van eiser bij zijn toenmalige partner niet geëindigd zou zijn omdat geen beëindigingsbeslissing is genomen volgt de rechtbank niet. Dit declaratoir verblijfsrecht is immers geëindigd met het eindigen van de relatie op 28 juni 2022. Een belangenafweging was op dat moment niet aan de orde, aangezien verweerder enkel gehouden is een belangenafweging te maken als bij beëindiging van een verblijfsrecht actief een verwijderingsbesluit wordt genomen. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake, nu eiser na het eindigen van zijn verblijfsrecht bij zijn toenmalige partner op 28 juni 2022 op
18 juli 2022 een verblijfsvergunning voor het doel ‘Arbeid als kennismigrant’ heeft gekregen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaand aan de aanvraag op 15 oktober 2024 rechtmatig verblijf heeft gehad. Eiser voldoet daarom niet aan de voorwaarden voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, waardoor verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.
Privéleven
12. Eiser stelt dat in de bezwaarprocedure ten onrechte geen toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM [5] heeft plaatsgevonden. Eiser verblijft al sinds 16 augustus 2019 in Nederland. Hij heeft een leven opgebouwd in Nederland en zijn inburgeringsdiploma gehaald. Eiser heeft daarom beschermenswaardig privéleven opgebouwd tijdens zijn rechtmatig verblijf in Nederland. Een belangenafweging heeft echter niet plaatsgevonden.
13. Verweerder heeft in beroep alsnog een belangenafweging gemaakt. Hierbij heeft verweerder het belang van de Nederlandse overheid afgewogen tegen het persoonlijk belang van eiser. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
14. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat in de bezwaarfase een belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM had moeten plaatsvinden, nu eiser een privéleven heeft opgebouwd tijdens zijn verblijf in Nederland. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek, zoals verweerder heeft verzocht, te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. [6] Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb. De rechtbank zal wel onderzoeken of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.
14.1.
Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het privéleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. [7]
14.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle betrokken belangen meegewogen en is de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser uitgevallen. Op de zitting heeft eiser slechts ten aanzien van het economisch belang gronden aangevoerd. Volgens eiser heeft verweerder de omstandigheden dat eiser in Nederland een bijdrage heeft geleverd aan de economie en dat eiser nooit een beroep heeft gedaan op de openbare kas, ten onrechte niet meegewogen bij de belangenafweging. De rechtbank stelt vast dat verweerder het economisch belang wel heeft meegewogen. Hij heeft zich echter in lijn met de WI 2026/3 [8] op het standpunt gesteld dat het belang van Nederlandse overheid gelegen is in de druk op de voorzieningen in Nederland. Daar doet niet aan af dat eiser een bijdrage heeft geleverd en nog kan leveren, waarbij dat laatste bovendien een onzekere omstandigheid is. Verweerder heeft het economisch belang dus niet in het voordeel, maar in het nadeel van eiser meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt ook voldoende gemotiveerd. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de rest van de belangenafweging. Ook heeft eiser geen andere feiten en omstandigheden naar voren gebracht die verweerder had moeten betrekken bij de belangenafweging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder alle feiten en omstandigheden kenbaar heeft betrokken bij de belangenafweging en dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser.
Hoorplicht
15. Eiser is van mening dat hij in de bezwaarprocedure gehoord had moeten worden. Tijdens een hoorzitting had eiser nader bevraagd kunnen worden ten behoeve van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.
16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser ten onrechte niet heeft gehoord. Bij de beoordeling van de vraag of uitzetting van eiser al dan niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM dient te worden gekeken naar alle actuele feiten en omstandigheden van dat moment. Het horen van een vreemdeling is een belangrijk middel om alle relevante feiten en omstandigheden boven tafel te krijgen. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de WI 2022/20 [9] . Hierin staat onder meer dat het uitgangspunt om te horen te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarin een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Dit zijn bijvoorbeeld zaken waarin artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt en zaken waarin het verblijf van een vreemdeling wordt beëindigd. Het bestreden besluit wordt dus ook vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 van Pro de Awb. De rechtbank zal ook in dit verband onderzoeken of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.
16.1.
Eiser heeft in beroep en op de zitting voldoende gelegenheid gehad om zijn gronden toe te lichten en eventuele ontbrekende feiten en omstandigheden naar voren te brengen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht is geschonden en het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat eiser in beroep alsnog alles naar voren heeft kunnen brengen en verweerder in beroep alsnog een belangenafweging heeft gemaakt, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
17.1.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
17.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.21140:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 december 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL25.21143:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,-. aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
3.Op grond van artikel 21 van Pro de Vw.
4.Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
8.Werkinstructie 2026/3 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro.
9.Werkinstructie 2022/20 Horen en mandatering in bezwaar.