ECLI:NL:RBDHA:2026:1234
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag van Ethiopische eiser met gemengde etniciteit en beroep op artikel 8 EVRM
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Ethiopische eiser, die problemen ondervond vanwege zijn gemengde etniciteit. De eiser, geboren in 1994, heeft op 23 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland. De asielaanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie op 1 maart 2024 afgewezen, omdat de problemen die hij ondervond niet als voldoende ernstig werden beschouwd om hem de vluchtelingenstatus te verlenen. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 18 december 2025 behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de asielmotieven geloofwaardig achtte, maar niet voldoende zwaarwegend om de vluchtelingenstatus toe te kennen. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had ingegaan op de verslechterde veiligheidssituatie in Ethiopië en dat de asielaanvraag ten onrechte was afgewezen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de afwijzing van de asielaanvraag in stand gelaten. De rechtbank heeft de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen met betrekking tot het beroep van de eiser op artikel 8 van het EVRM, dat betrekking heeft op het gezinsleven van de eiser met zijn dochter. De rechtbank heeft ook de proceskosten van de eiser vergoed.