In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 27 januari 2026, gaat het om een beroep dat is ingediend door een eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. A. Kortrijk, tegen de minister van Asiel en Migratie. De eiser stelt dat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag, die op 24 maart 2024 is ingediend. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting beoordeeld en vastgesteld dat de beslistermijn voor de aanvraag is verstreken. Eiser heeft de minister verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen, maar dit verzoek is niet ingewilligd, waarna eiser beroep heeft ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister wordt opgedragen om binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden ingezien op rechtspraak.nl.