ECLI:NL:RBDHA:2026:12384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
25/6791
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 13 lid 5 onder e beheersverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning dakopbouw wegens onvoldoende motivering schaduwwerking

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die aan vergunninghouder is verleend voor de bouw van een dakopbouw op een woning. De rechtbank stelde in een tussenuitspraak vast dat het college onvoldoende had gemotiveerd of de dakopbouw voldeed aan de eis van evenwichtige toedeling van functies en onvoldoende had onderzocht of er sprake was van onevenredige schaduwwerking.

Het college heeft vervolgens een aanvullende motivering ingediend, inclusief een bezonningsstudie en een herzien stedenbouwkundig advies. De bezonningsstudie concludeerde dat de afname van zonuren beperkt is en binnen aanvaardbare normen blijft. Het stedenbouwkundig advies bevestigde dat de dakopbouw past binnen het ruimtelijke beleid en geen onevenredige aantasting veroorzaakt.

Eiser voerde aan dat de bezonningsstudie onbetrouwbaar was en dat de belangenafweging onvolledig was, onder meer vanwege een alternatieve bouwvariant die niet was meegenomen. De rechtbank oordeelde echter dat de aanvullende motivering en deskundigenadviezen voldoende waren en dat de bezwaren van eiser onvoldoende concreet waren om twijfel te rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens het eerdere motiveringsgebrek, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het college het gebrek had hersteld. Tevens werd het griffierecht aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat het college het gebrek heeft hersteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6791

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk

(gemachtigde: mr. T.C. Slinger).
Als derde-partij neemt aan het geding deel
[derde-partij]te [woonplaats] (vergunninghouder).
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers)

Procesverloop

1. In het besluit van 22 mei 2025 is aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een dakopbouw op de woning [adres 1] . Met het betreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven.
1.1.
Eiser heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Partijen zijn hier verschenen of hebben zich doen vertegenwoordigen.
1.4.
In de tussenuitspraak van 4 februari 2026 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.5.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak de motivering van een deel van het bestreden besluit gewijzigd.
1.6.
Vergunninghouder heeft ingestemd met die aanvullende motivering.
1.7.
Eiser heeft een schriftelijke zienswijze ingediend.
1.8.
De rechtbank heeft in de brief van 21 april 2026 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
1.9.
In de e-mail van 22 april 2026 heeft gemachtigde van vergunninghouder gereageerd op de zienswijze van eiser. De rechtbank heeft gemachtigde van vergunninghouder bericht dat de e-mail van 22 april 2026 niet bij de beoordeling van de zaak wordt betrokken omdat de rechtbank op 21 april 2026 het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [1]
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat in het bestreden besluit een beoordeling ontbreekt of de binnenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan de eis van evenwichtige toedeling van functies aan locaties, met de daarbij behorende belangenafweging. Ook is sprake van een onvoldoende beoordeling van eisers stelling over onevenredige schaduwwerking van de dakopbouw. Daarmee is het bestreden besluit, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het niet op een draagkrachtige motivering. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college dit gebrek kan herstellen door eisers stelling dat de dakopbouw zorgt voor onevenredige schaduwwerking in de achtertuin van zijn woning alsnog zorgvuldig te laten onderzoeken door middel van een bezonningsstudie van een ter zake deskundige en afdoende te beoordelen. Met achtneming daarvan zal het college alsnog toereikend gemotiveerd moeten beoordelen of het met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een weging van de relevante belangen gebruik wil maken van de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid.
De aanvullende motivering van het college
3. Het college heeft het bestreden besluit in die zin gewijzigd, dat hetgeen is vermeld onder het kopje “Juridisch kader” en de bespreking van de bezwaargronden 1, 6 en 10 in zijn geheel wordt vervangen door de op 16 maart 2026 toegezonden nadere motivering en de daarbij gevoegde stukken. In de aanvullende motivering heeft het college het standpunt dat geen sprake is van onevenredige schaduwwerking op het dak van eisers woning en in zijn achtertuin nader onderbouwd.
3.1.
Het college heeft in de bijlage bij de aanvullende motivering een rapport van een bezonningsstudie van 17 februari 2026, van ir. [naam 1] ( [naam 1] ) toegestuurd. In de conclusie van die bezonningsstudie is het volgende vermeld:
“De geplande dakopbouw aan de [adres 1] , de bestaande situatie en de directe omgeving van de woning aan de [adres 2] zijn in 3D ingetekend en in onze interactieve software geplaatst. Er is beoordeeld wat het effect is op zes fictieve zonnepanelen en de tuin aan de [adres 2] .
Voor de zes zonnepanelen geldt dat de gezamenlijke jaaropbrengst afneemt van 2.663 kWh in de bestaande situatie naar 2.464 kWh in de geplande situatie. Dit betekent een totale afname van 199 kWh per jaar, wat overeenkomt met circa 7,5%.
Voor de tuin, gemeten op 1,00 meter hoogte, bedraagt de maximale afname 1,1 uur in april en augustus (5,8 uur naar 4,8 uur). In maart en september bedraagt de afname 0,9 uur (4,2 uur naar 3,3 uur). In mei en juli is sprake van een beperkte afname van 0,3 uur (6,5 uur naar 6,2 uur). In oktober t/m februari en in juni is geen afname gemeten. Op basis van een quickscan op 21 maart blijkt dat in de geplande situatie 3,3 zonuren in de tuin mogelijk blijven, waarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt van minimaal 2 zonuren en sprake blijft van een goede bezonning.
Op basis van de berekeningen en de visuele beoordeling in de schaduwsimulator kan worden geconcludeerd dat het effect van de dakopbouw vooral merkbaar is in de wintermaanden voor de zonnepanelen en in het voor- en najaar voor de tuin, terwijl in de zomermaanden de bezonning en opbrengst grotendeels gelijk of beperkt blijven aan de bestaande situatie.”
3.2.
Verder heeft het college een herzien stedenbouwkundig advies van 23 februari 2026 ingediend. Dit is een herzien advies, waarin wordt ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit advies wordt uit de bezonningsstudie van 17 februari 2026 afgeleid dat de bezonningssituatie niet onevenredig verslechtert. Met een minimum van twee zonuren wordt voldaan aan het uitgangspunt gebaseerd op de Building Research Establishment-richtlijn (BRE-richtlijn) uit de publicatie Site Lay-Out Planning for Daylight and Sunlight, en blijft sprake van een aanvaardbare bezonningsituatie. De bezonningsstudie bevat ook meetpunten op het dak van de woning van vergunninghouder, maar deze zijn niet leidend in de stedenbouwkundige beoordeling, aangezien wordt getoetst aan de feitelijke planologische situatie. Een zekere mate van schaduwwerking is inherent aan stedelijke verdichting. Niet is gebleken dat het functioneren van de zonnepanelen feitelijk onmogelijk wordt gemaakt of onevenredig wordt beperkt. In het stedenbouwkundig advies worden de belangen van vergunninghouder en eiser opgesomd en tegen elkaar afgewogen en wordt geconcludeerd dat de dakopbouw past binnen het geldende ruimtelijke beleid, aansluit bij de stedenbouwkundige structuur van de wijk, geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt, en stedenbouwkundig aanvaardbaar is. In het advies wordt dan ook geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.3.
Het college concludeert in de nadere motivering dat geen sprake is van onevenredige schaduwwerking op het dak van eisers woning en in zijn achtertuin. Het college neemt de conclusies uit het stedenbouwkundig advies van 23 februari 2026 over.
Het standpunt van eiser
4. Eiser voert in zijn zienswijze aan dat de bezonningsstudie van 17 februari 2026 niet als dragende motivering kan dienen voor het bestreden besluit, omdat die studie geen betrouwbaar beeld geeft en onzorgvuldig tot stand is gekomen. De dakopbouw sluit niet aan op de stedenbouwkundige structuur van de wijk en is stedenbouwkundig niet aanvaardbaar. Er is dan ook geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bezonningsstudie van [naam 1] gaat uit van een 3D-model met een foutmarge die kan oplopen tot circa 0,5 meter. Ook is ten onrechte een meethoogte van 1 meter gekozen, en is een circa 2,5 meter hoge schuur en erfafscheiding in de vorm van een schutting volledig buiten beschouwing gelaten. Op meetpunt 7, midden in de tuin van vergunninghouder, is rond 21 maart en 21 september geen directe bezonning aanwezig. Daarmee wordt al in de bestaande situatie niet voldaan aan de norm van minimaal twee zonuren, terwijl deze situatie door de dakopbouw verder verslechtert. De bezonningsstudie van [naam 1] miskent dit. Uit de bijgevoegde analyse van 2 april 2026 van de heer [naam 2] , projectmanager bij SolarNRG ( [naam 2] ), volgt dat de effecten op de zonnepanelen substantieel zijn. De dakopbouw leidt tot een rendementsverlies van circa 17% in plaats van 8% als vermeld in het onderzoek van [naam 1] , hetgeen leidt tot een negatief investeringsadvies voor zonnepanelen en energieopslag. Er is sprake van een onevenredige verslechtering. Het zonnepanelenplan waar [naam 1] van uitgaat is op de volgende punten niet uitvoerbaar: er wordt uitgegaan van een onjuiste, te hoge, hellingshoek, er worden noodzakelijke afstanden tot de dakrand en het aanwezige overstek genegeerd, de positionering van panelen is bouwkundig, welstands- en arbo-technisch niet toegestaan, en het aantal en type panelen wijken af van realistische en rendabele configuraties. Uit het stedenbouwkundig advies van 23 februari 2026 blijkt dat na advisering door de commissies nog beeldbepalende stukken en tekeningen door medewerkers van de gemeente, die namens het college zelf de besluiten nemen, aan het dossier zijn toegevoegd. Hierdoor heeft de advisering niet plaatsgevonden op basis van het uiteindelijke ontwerp. Daarmee is de advisering door stedenbouw en welstand niet zorgvuldig verlopen. Het door eiser op 25 maart 2025 ingediende minder bezwarende alternatief, namelijk het inkorten van de dakopbouw aan de achterzijde en het realiseren van een balkon/dakterras, is niet in de beoordeling van de vergunningaanvraag betrokken. Er is onvoldoende sprake geweest van participatie, zodat de belangen van de direct omwonenden zijn genegeerd. Geen sprake is van een volledige en evenwichtige belangenafweging. Verder heeft eiser een brief van architect ir. [naam 3] ingediend. [naam 3] levert inhoudelijk commentaar op de bezonningsstudie van [naam 1] . Ook adviseert [naam 3] de omgevingsvergunning alsnog te laten toetsen door de welstandscommissie, om zo de storende bouwkundige stijlbreuken te herstellen aan de voorgevel en afwerking van de dakopbouw aan de noordoostzijde. Ten slotte heeft eiser foto’s van de situatie overgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt voorop dat het haar, behoudens uitzonderlijke gevallen, niet vrij staat terug te komen op een door haar in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel. In deze einduitspraak kan alleen worden ingegaan op de vraag of het college met het indienen van de aanvullende motivering en de bijgevoegde stukken het gebrek heeft hersteld. Alle gronden die in de tussenuitspraak al zijn verworpen of zienswijzen naar aanleiding van de aanvullende motivering die zien op een aspect waarover in die uitspraak al een oordeel is gegeven, en die niet zien op het gebrek en het herstel daarvan blijven in deze uitspraak buiten beschouwing. Het gaat daarbij om gronden die zien op participatie en op het door eiser ingediende alternatieve voorstel voor een dakopbouw. De rechtbank heeft ook reeds geoordeeld dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vermeld in de gedachtestreepjes in artikel 13. lid 5. onder e van de beheersverordening en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan het advies van de welstandscommissie. De rechtbank ziet in de door [naam 3] gemaakte bouwkundige en welstandstechnische opmerkingen geen uitzonderlijk geval om terug te komen op haar oordeel in de tussenuitspraak.
5.1.
De rechtbank constateert dat met het indienen van de aanvullende motivering en de mededeling dat deze motivering de tekst onder het kopje “Juridisch kader” en de bespreking van de bezwaargronden 1, 6 en 10 vervangt, sprake is van een gedeeltelijk gewijzigde beslissing op bezwaar.
5.2.
Het college heeft zich bij de gewijzigde motivering van het bestreden besluit gebaseerd op deskundigen, namelijk de heer [naam 1] die de bezonningsstudie heeft gedaan, en de stedenbouwkundige die het herziene advies heeft gegeven.
5.3.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als een andere partij een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [2]
5.4.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser tegen de bezonningsstudie van [naam 1] heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van die studie en het daarin opgenomen advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.5.
De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat de bezonningsstudie in opdracht van vergunninghouder is uitgevoerd geen reden is om aan de objectiviteit van dat deskundigenadvies te twijfelen.
5.6.
Ten aanzien van de stelling van eiser, in navolging van [naam 2] , dat de schuur en de schutting niet (op de juiste hoogte) in de bezonningsstudie is ingetekend en dat daardoor de meting van de bezonning op 21 maart en 21 september aanzienlijk gunstiger uitvalt, overweegt de rechtbank dat eiser en [naam 2] die stelling op geen enkele wijze concreet hebben onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling van [naam 2] dat uit een simulatie en berekening van zijn kant zou blijken dat als de schuur en de schutting wel op de juiste hoogte is ingetekend er geen bezonning is op de betreffende data op meetpunt 07. Eiser heeft de betreffende simulatie en berekening niet overgelegd. Ook uit de door eiser overgelegde foto’s kan niet worden afgeleid dat de bezonningsstudie onjuist is, nog daargelaten dat die foto’s alleen iets zeggen over de schaduwwerking van de bestaande schuur en schutting in de bestaande situatie en niet over de afname van schaduwwerking door de geplande dakopbouw. Voor zover eiser stelt dat in de tuin ten onrechte is gemeten op één meter boven het maaiveld, overweegt de rechtbank dat in het rapport van de bezonningsstudie van [naam 1] [3] afdoende is onderbouwd waarom de meetpunten in de tuin op één meter hoogte zijn vastgesteld, namelijk omdat dat representatief is voor de leefhoogte (bijvoorbeeld van een terras met een tafel) en voorkomt dat de schaduwval van kleine objecten en planten een vertekend beeld geeft. De enkele stelling dat de meethoogte van één meter niet representatief is, slaagt daarmee niet. Eiser heeft zijn opmerking dat sprake is van een grotere foutmarge in de bezonningsstudie van [naam 1] die kan oplopen tot circa 0,5 meter niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is in de bezonningsstudie van [naam 1] afdoende onderbouwd dat de foutmarge veel kleiner is, namelijk slechts maximaal 10 centimeter.
5.7.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat uit de berekening van [naam 2] blijkt dat door de dakopbouw een substantieel groter rendementsverlies van 17% optreedt op de te plaatsen zonnepanelen op het dak van zijn woning dan in de bezonningsstudie berekende 7,5%, overweegt de rechtbank dat [naam 2] de rendementsafname van 17% niet heeft onderbouwd. Voor zover daaraan een onderzoek ten grondslag ligt, is dat immers niet overgelegd. Ook de stelling van eiser dat het zonnepanelenplan waar [naam 1] van uitgaat op de door hem en [naam 2] genoemde punten niet uitvoerbaar zou zijn heeft hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Niet blijkt waar de stelling [naam 2] op is gebaseerd dat de gehanteerde hellingshoek van 15% ongebruikelijk is en een hellingshoek van 12% is voorgeschreven is. De rechtbank ziet in de enkele stelling van [naam 3] dat de panelen in de bezonningsstudie welstandstechnisch te ver boven de gevel uitsteken en bouwtechnisch 40 centimeter van de dakrand geplaatst zouden moeten worden ook geen reden om de bezonningsstudie niet te volgen.
5.8.
De rechtbank concludeert dat het college zich heeft mogen baseren op de bezonningsstudie van [naam 1] en op het herziene stedenbouwkundige advies. Het college mocht op basis van de bevindingen en conclusies uit de bezonningsstudie aannemen dat geen sprake is van onevenredige schaduwwerking, omdat in de achtertuin van eiser de afname van bezonning als gevolg van het realiseren van de dakopbouw zeer beperkt is en dat op 21 maart als representatieve datum minimaal 2 zonuren resteren, terwijl ook op andere data in de periode tot en met 21 oktober ruim meer dan twee zonuren overblijven. Naar het oordeel van de rechtbank levert het bouwplan evenmin een onevenredige belemmering op voor de mogelijkheden om zonnepanelen te plaatsen. Daarbij is van belang dat geen sprake is van een situatie waar al zonnepanelen zijn geplaatst. Het college mocht dan ook zwaarder gewicht hechten aan de belangen bij het realiseren van de dakopbouw door vergunninghouder dan aan de wens van eiser om in de toekomst zonnepanelen op zijn dak te plaatsen. [4] Het college kan er niet toe te worden gehouden van vergunninghouder te verlangen dat hij zijn dakopbouw zodanig realiseert dat eiser optimaal van eventueel nog te plaatsen zonnepanelen gebruik kan maken. Het college heeft uit het herziene stedenbouwkundige advies mogen concluderen dat het belang van vergunninghouder bij het realiseren van een dakopbouw op zijn woning zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het voorkomen van afname van bezonning, en dat sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek. Omdat het college met de in zijn reactie van 16 maart 2026 op de tussenuitspraak opgenomen gewijzigde motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
6.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
6.2.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704, en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1155.
3.Pagina 8 van het rapport.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1833.