Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12507

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24136
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b VbArt. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en verlenging

Verweerder heeft op 23 april 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De zaak werd schriftelijk behandeld.

Eiser voerde onder meer aan dat het terugkeerbesluit niet in het digitale dossier was opgenomen, dat hij te lang in bewaring zat conform het arrest Arojavan van het Hof van Justitie, dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn verblijf bij AMOK en medische klachten, en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit wel tijdig was ingediend, de zware en lichte gronden voor bewaring niet werden bestreden en dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste. De verlenging van de bewaring was tijdig en voldoende gemotiveerd. Verweerder handelde voortvarend door onder meer een vertrekgesprek te voeren en een laissez-passer aan te vragen.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel en verlenging niet onrechtmatig waren en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en de verlenging daarvan is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24136

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 5 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 7 mei 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 6 oktober 2023 niet is ingediend in het digitale dossier. De rechtbank kan daarom niet controleren of er voldaan is aan een vereiste voor inbewaringstelling met het oog op terugkeer. Evenmin kan gecontroleerd worden of de huidige maatregel strekt tot uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit als de eerdere bewaring van 14 maart 2024 tot en met 27 augustus 2024. Ten tweede wijst eiser op het arrest Aroja [1] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Eiser heeft, kort gezegd, te lang in vreemdelingenbewaring gezeten. Voor zover de huidige maatregel tevens een verlengingsmaatregel is, is dit onvoldoende duidelijk en onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast had verweerder een lichter middel moeten toepassen. Eiser verblijft bij AMOK in Amsterdam en heeft beloofd zich aan de meldplicht te houden. Verder heeft hij medische klachten, namelijk een versleten knie. Daarbij heeft verweerder niet onderzocht of een lichter middel mogelijk was. Zo heeft verweerder bijvoorbeeld geen contact opgenomen met AMOK. Ten vierde voert eiser aan dat verweerder onvoldoende concreet en kenbaar heeft onderzocht of er zicht op uitzetting bestaat. Eiser verwijst daarbij naar het arrest Adrar van het Hof. Daarnaast is niet concreet beoordeeld of eisers gezondheid relevant is voor verwijdering, detentie of een lichter middel. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke concrete verwijderingshandelingen zijn verricht of gepland. Verweerder heeft niet aangetoond dat hij voldoende voortvarend aan uitzetting werkt.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder het terugkeerbesluit van 23 oktober 2023 op 1 mei 2026 heeft ingediend in het digitale dossier. Anders dan eiser betoogt is de rechtbank in staat om het terugkeerbesluit te betrekken bij de beoordeling van de vrijheidsontnemende maatregel en het tegelijkertijd opgelegde verlengingsbesluit.
Vrijheidsontnemende maatregel
6. De rechtbank stelt verder vast dat de zware en lichte gronden niet worden bestreden. Dit blijkt uit alinea 3 van de beroepsgronden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten.
7. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel op te leggen. De stelling van eiser dat hij zich aan de meldplicht zal houden, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast is volgens vaste rechtspraak voor de toepassing van de bepalingen gesteld bij en krachtens de Vw 2000 slechts sprake van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de BRP [2] , of wanneer de vreemdeling op een andere wijze aantoont dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. [3] Verblijf bij de opvang AMOK valt niet hier onder, ook niet als eiser daar regelmatig komt. Eiser verblijft immers juist bij AMOK omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Verder is niet gebleken dat eiser niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terecht kan voor zijn medische klachten.
Verlengingsbesluit
8. Als een vreemdeling langer dan zes maanden in bewaring verblijft, moet een verlengingsbesluit worden genomen. Een verlengingsbesluit wordt niet eerder dan twee weken voor het verstrijken van voornoemde termijn van zes maanden genomen. [4] Eiser heeft eerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring gezeten, te weten van 14 maart 2024 tot en met 27 augustus 2024. [5] Vervolgens is op 23 april 2026 opnieuw een maatregel van bewaring opgelegd. Daarin is ook een verlengingsbesluit opgenomen. Dat verlengingsbesluit is binnen twee weken voor het verstrijken van de duur van zes maanden genomen. [6] Naar het oordeel van de rechtbank is het verlengingsbesluit daarmee niet in strijd met de daarvoor geldende termijnen. Van strijd met het arrest Aroja is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
9. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder het verlengingsbesluit voldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft, om onnodige herhaling te voorkomen, mogen verwijzen naar motiveringen elders in het besluit. Daarbij heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser nog steeds niet meewerkt aan zijn uitzetting. Dit blijkt uit de onbestreden gronden waaruit reeds een risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure volgt. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser niets heeft ondernomen om te voldoen aan zijn vertrekplicht.
10. Ten aanzien van eisers standpunt dat verweerder niet voortvarend handelt, oordeelt de rechtbank als volgt. Op 30 april 2026 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd en op 4 mei 2026 is bij de Marokkaanse autoriteiten een verzoek om een laissez-passer ingediend. Daarbij kan niet nu al worden gezegd dat dit verzoek zal worden geweigerd. Naar het oordeel van rechtbank handelt verweerder hiermee voldoende voortvarend en ontbreekt zicht op uitzetting niet.
11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [7] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring of de verlenging daarvan onrechtmatig is. Verweerder heeft de inhoud van het gehoor dat aan de maatregel van bewaring vooraf is gegaan voldoende betrokken bij de beoordeling van het non-refoulement. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (C-150/24).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4131.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5036, onder 2.1.4.
4.Zie uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:284
5.Zie voor de duur van de eerdere maatregel het M113-formulier van 27 augustus 2024.
6.Volgens vaste jurisprudentie moet een maand worden begrepen als een tijdvak van 30 dagen. In deze context staan zes maanden gelijk aan 180 dagen, vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 22 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX6245) en 31 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2113).
7.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.