ECLI:NL:RVS:2012:BY2113
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige verlenging van vreemdelingenbewaring wegens te late besluitvorming
De vreemdeling was in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister verlengde de bewaring bij besluit van 7 augustus 2012, terwijl de maximale termijn van zes maanden op 6 augustus 2012 was verstreken. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders.
De Afdeling stelde vast dat het verlengingsbesluit uiterlijk op de laatste dag van de zes maanden termijn genomen had moeten worden. Omdat het besluit pas de dag erna werd genomen, was de verlenging niet tijdig en daarmee onrechtmatig. De bewaring moest daarom met ingang van 7 augustus 2012 worden opgeheven.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct werd opgeheven. Tevens kende de Afdeling een vergoeding toe aan de vreemdeling voor de periode van 7 augustus tot 31 oktober 2012 en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming bij verlenging van vreemdelingenbewaring en bevestigt de rechtsbescherming van vreemdelingen tegen onrechtmatige vrijheidsontneming.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig verlengd en wordt per direct opgeheven, met toekenning van een vergoeding en proceskosten.