ECLI:NL:RBDHA:2026:12545
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T.G. Noordhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 behandeld en beoordeelt of de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat lidstaten mogen vertrouwen op elkaars naleving van internationale verplichtingen. Eiser stelde dat hij in Frankrijk geen passende opvang en medische zorg heeft ontvangen en vreest herhaling hiervan, wat volgens hem een uitzondering op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht mag uitgaan van het vertrouwensbeginsel, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het AIDA-rapport. De door eiser gestelde omstandigheden zijn onvoldoende om een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro aan te nemen. Ook het beroep op onevenredige hardheid op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro faalt, omdat eiser zijn medische problemen onvoldoende heeft onderbouwd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is.