Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
26/521
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening PGB Jeugdwet wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster, wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige met angst- en paniekklachten, verzocht om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag dat een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding en diverse zorgaanbieders toekende en afwees. Het pgb was toegekend met terugwerkende kracht voor begeleiding door de vader, maar de aanvraag voor surftherapie, tekentherapie en dagbesteding bij bepaalde zorgaanbieders werd afgewezen vanwege het niet voldoen aan kwaliteitseisen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was omdat het bestreden besluit betrekking had op een afgesloten periode en een voorlopige maatregel geen effect kon sorteren. Ook voor de periode na 30 november 2025 was slechts sprake van een financieel belang, wat volgens vaste rechtspraak geen grond is voor een voorlopige voorziening. Verzoekster kon geen acute financiële noodsituatie aantonen.

De voorzieningenrechter stelde dat het verzoek alleen kon worden toegewezen indien het besluit evident onrechtmatig was, wat niet het geval was. Er was geen reden om aan te nemen dat het college onjuist had gehandeld bij het bepalen van de omvang en duur van het pgb. De rechter benadrukte dat de bezwaarprocedure met voortvarendheid moet worden behandeld, mede gelet op de wachtlijstproblematiek en het advies van een psychiater.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en gaf geen proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een pgb is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/521

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[naam 1],
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. C. Mauricio de Oliveira).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de toekenning van jeugdhulp aan [naam 1] op grond van de Jeugdwet (Jw). Verzoekster is het niet eens met de omvang en duur van het toegekende pgb voor individuele begeleiding en daarnaast is zij het niet eens met de afwijzing van een pgb voor diverse zorgaanbieders. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat er geen spoedeisend belang is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 12 januari 2026 jeugdhulp aan [naam 1] toegekend op basis van de Jw. Er is met terugwerkende kracht een pgb toegekend voor individuele begeleiding van [naam 1] door de vader van 1 november 2024 tot en met 30 november 2025, tegen het informele tarief van € 20,- per uur en voor 26 uren per maand. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en [naam 2] , vader van [naam 1] , de gemachtigde van het college en [naam 3] , jeugdconsulent.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. [naam 1] , geboren op [geboortedatum] 2016, woont met zijn moeder, vader en broertje
.Medio september 2024 heeft verzoekster zich bij het college gemeld voor hulp voor [naam 1] , vanwege angst- en paniekklachten en schooluitval. Vanaf november 2024 is [naam 1] volledig uitgevallen voor school en thuis komen te zitten. Verzoekster heeft daarom vanaf november 2024 wekelijks surftherapie (1,5 uur), tekentherapie (1 uur) en dagbesteding bij [dagbesteding 1] (2 dagdelen) georganiseerd voor [naam 1] . In november 2025 is [naam 1] , na overleg met Kracht voor jeugd en gezin [1] , gestart bij [dagbesteding 2] (dagbesteding). Er is onder andere een beschikking voor 4 dagen (8 dagdelen) gegeven door het college.
3.1.
Bij het bestreden besluit heeft het college een pgb voor informele begeleiding van de vader met terugwerkende kracht toegekend van 1 november 2024 tot en met 30 november 2025 voor zes uren per week. Blijkens het pgb onderzoeksverslag is, hoewel niet expliciet opgenomen in het bestreden besluit, de pgb-aanvraag voor surftherapie, tekentherapie en dagbesteding bij [dagbesteding 1] afgewezen. Deze zorgaanbieders voldoen volgens het college niet aan de kwaliteitseisen en daarom kunnen zij niet gefinancierd worden vanuit de Jw. Dit geldt voor zowel Zorg in Natura als een pgb, en ook wanneer de inzet bedoeld zou zijn ter overbrugging. Daarnaast is niet gebleken dat deze zorgaanbieders bijdragen aan de voor [naam 1] bepaalde doelen zoals het verminderen van de angst- en paniekklachten. Verder blijkt uit het pgb onderzoeksverslag dat onderzocht zal worden of dagbehandeling bij Youz een passende en noodzakelijke vervolgstap kan zijn voor [naam 1] . Ook is systeemtherapie aangevraagd.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
4.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang; in dit geval moet bijvoorbeeld blijken dat niet kan worden gewacht op een beslissing op het bezwaarschrift. Pas als sprake is van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit
.Daarom zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen spoedeisend belang is. Het volgende is van belang.
4.3.
Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat [naam 1] inmiddels niet meer naar de [dagbesteding 2] gaat omdat hij ook daar is uitgevallen. Vanwege wachtlijsten kan [naam 1] mogelijk pas in de zomer van 2026 terecht bij Youz voor dagbehandeling. Verzoeker wil daarom ter overbrugging een pgb voor de begeleiding van [naam 1] door de vader, voor surftherapie (2 keer per maand), tekentherapie (2 keer per maand) en dagbesteding bij [dagbesteding 1] (2 dagdelen per week).
4.4.
Het bestreden besluit ziet op een reeds afgesloten periode in het verleden (1 november 2024 tot en met 30 november 2025), waarin [naam 1] informele begeleiding heeft ontvangen van zijn vader. [naam 1] is ook naar surftherapie, tekentherapie en naar dagbesteding bij [dagbesteding 1] geweest. Het bestreden besluit is in zoverre uitgewerkt zodat er in het kader van de voorlopige voorziening niets meer bij wijze van voorlopige maatregel te schorsen valt. [naam 1] kan immers niet met terugwerkende kracht meer uren begeleiding of surftherapie en tekentherapie volgen. Bovendien zou verzoekster bij een toewijzing hoogstens meer geld (pgb) ontvangen. Dat is dus enkel een financieel belang.
4.5.
Ter zitting is gebleken dat ook voor de periode na 30 november 2025 enkel sprake is van een financieel belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat [naam 1] tot op heden nog steeds naar de surftherapie en tekentherapie gaat, maar dan om de week vanwege de financiële druk op het gezin. Verder gaat hij twee ochtenden in de week naar [dagbesteding 1] .
4.6.
Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie of dat sprake is van een onomkeerbare situatie op grond waarvan een uitzondering op deze hoofdregel zou moeten worden gemaakt. Dat verzoekster fulltime moet blijven werken, zij niet zomaar uit eten kunnen en dit jaar niet op vakantie kunnen naar Turkije in de meivakantie en moeten interen op hun spaargeld om de surftherapie, tekentherapie en [dagbesteding 1] te betalen, kan niet aangemerkt worden als een financiële noodsituatie. In de door verzoekster aangehaalde uitspraak [2] heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat naast het financieel belang, het gezin gebaat is bij rust en continuïteit waarbij de kinderopvang van het kind op basis van een Sociaal Medische Indicatie in stand kan worden gelaten. Het verzoek is daarom toegewezen. Er is in de aangehaalde uitspraak niet geoordeeld, zoals verzoekster stelt, dat de financiële druk op het gezin niet verantwoord werd geacht en het verzoek daarom is toegewezen.
4.7.
Nu er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of de besluiten in de bezwaarprocedure in stand blijven. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken. Niet in geschil is dat [naam 1] jeugdhulp nodig heeft. Dat [naam 1] momenteel niet naar de [dagbesteding 2] gaat voor dagbesteding en er een wachtlijst is bij Youz voor dagbehandeling, zodat een andere dagbesteding daarom gewenst is, betekent niet dat het college deze ook moet verstrekken voor de door verzoekster geïnitieerde surftherapie, tekentherapie en dagbesteding bij [dagbesteding 1] . Ten aanzien van de duur en de omvang van het pgb voor de begeleiding door de vader van [naam 1] kan niet geoordeeld worden dat dit evident onrechtmatig is.
4.8.
De voorzieningenrechter spreekt tot slot de wens uit dat de bezwaarprocedure met voortvarendheid wordt behandeld nu niet in geschil is dat [naam 1] jeugdhulp nodig heeft. De voorzieningenrechter geeft voor de bezwaarprocedure mee dat, mede gelet op de wachtlijst bij Youz, onder andere onderzocht dient te worden of [dagbesteding 2] nog als passende dagbesteding kan worden aangemerkt nu [naam 1] reeds is uitgevallen. Daarbij moet mede worden betrokken de ter zitting gegeven toelichting van verzoekster dat een psychiater heeft geadviseerd dat niet meer aangestuurd moet worden richting de [dagbesteding 2] als dagbesteding.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De voorzieningenrechter komt daardoor niet toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
- de griffier is verhinderd
om mede te ondertekenen -
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Aanspreekpunt voor hulp- en zorgvragen in Den Haag
2.Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 15 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:389