ECLI:NL:RBDHA:2026:12602
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen indiening LP-aanvraag tijdens beroep asielafwijzing
De minister had aangekondigd op 18 mei 2026 een aanvraag voor een laissez-passer (LP) te willen indienen bij de Pakistaanse autoriteiten. Verzoeker, een asielzoeker uit Pakistan, vroeg op 12 mei 2026 een voorlopige voorziening om deze indiening te voorkomen zolang het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag loopt.
De voorzieningenrechter nam spoedeisend belang aan vanwege de geplande indieningsdatum. Verzoeker stelde dat de LP-aanvraag in strijd is met het non-refoulementbeginsel en de effectiviteit van het beroepsrecht aantast, omdat zijn persoonsgegevens aan de Pakistaanse autoriteiten worden verstrekt. Dit zou leiden tot een verhoogd risico bij terugkeer, aangezien hij in Pakistan geregistreerd staat als lid van een risicogroep.
De minister erkende dat het in beginsel is toegestaan om een LP-aanvraag in te dienen tijdens het beroep, maar de voorzieningenrechter concludeerde dat in dit geval het verstrekken van persoonsgegevens schadelijke gevolgen kan hebben. Gelet op het beleid en ambtsberichten over de situatie van risicogroepen in Pakistan, werd de voorlopige voorziening getroffen dat de minister geen LP-aanvraag mag indienen zolang het beroep loopt.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,- aan verzoeker. De uitspraak is zonder zitting gedaan en telefonisch aan partijen medegedeeld op 15 mei 2026.
Uitkomst: De minister mag geen LP-aanvraag indienen zolang het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag loopt.