AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank Den Haag vernietigt tariefverhoging forensenbelasting wegens ondeugdelijke motivering
Eiser, eigenaar van een gemeubileerde recreatiewoning in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, maakte bezwaar tegen de aanslag forensenbelasting 2024, waarin het tarief met 25% was verhoogd en het maximumbedrag met 4,2% was aangepast. De rechtbank oordeelt dat de motivering van de tariefverhoging ondeugdelijk is, waardoor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet mogelijk is.
De rechtbank laat de tariefverhoging buiten toepassing en vermindert de aanslag tot het tarief van 2023. Eiser voerde verder aan dat de heffing in strijd is met diverse algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het recht op eigendom. De rechtbank gaat hier niet in mee, omdat onvoldoende informatie en debat over de belangenafweging is gevoerd.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente vrij is in het bepalen van het tarief en dat het niveau van de forensenbelasting niet aan een evenredigheidstoets kan worden onderworpen zonder nadere motivering. Ook het beroep op het verbod van détournement de pouvoir, het fair-playbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel faalt. De proceskosten worden aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de tariefverhoging van de forensenbelasting wegens ondeugdelijke motivering en vermindert de aanslag tot het tarief van 2023.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/3606
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.S.C. Stegmann),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag forensenbelasting opgelegd ten bedrage van € 3.064 (de aanslag).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 april 2025 de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld en het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft het onderzoek op 17 december 2025 heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 17 maart 2026. Net zoals bij de zitting op 5 december 2025 zijn de beroepen met zaaknummers SGR 25/3606 en SGR 25/3655 gelijktijdig behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is eigenaar van een gemeubileerde recreatiewoning aan de [adres] (de recreatiewoning). Eiser had in 2024 zijn hoofdverblijf buiten de gemeente Bodegraven-Reeuwijk (de gemeente). De WOZ-waarde van de recreatiewoning voor het jaar 2024 is bij beschikking vastgesteld op € 286.000.
2. Voor zover hier van belang, is in de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2024 (de Verordening) [1] van de gemeente het volgende bepaald:
1. Onder de naam “forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
1. De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt is vastgesteld.
De belasting bedraagt 1,25% van de waarde als bedoeld in artikel 4 metPro een maximum van € 3.064,--.”
3. Ten opzichte van 2023 is het belastingtarief met 25% verhoogd, van 1% naar 1,25%, en is het maximum met (afgerond) 4,2% verhoogd, van € 2.941 naar € 3.064. [2]
4. In de programmabegroting 2024-2027 zijn deze verhogingen als volgt toegelicht:
“ Lasten voor inwoners en ondernemers
We letten erop dat de financiële pijn zo eerlijk mogelijk verdeeld wordt in onze samenleving. Voor zowel inwoners als ondernemers ontkomen we niet aan een verhoging van de lasten met de reële inflatie met 4,2%.
(…)
Forensenbelasting
Voorgesteld wordt om de opbrengst van de forensenbelasting met de algemene inflatiecorrectie van 4,2% te verhogen. Om dat te bereiken zal in ieder geval het maximumbedrag van de forensenbelasting met 4,2% moeten worden verhoogd. De afgelopen jaren is echter gebleken dat wanneer alleen het maximumbedrag stijgt er steeds meer objecten zijn waarvan de WOZ-waarde lager is dan de maximumgrondslag en waarvoor dus niet het maximumbedrag wordt geheven. Feitelijk worden die objecten dan bevoordeeld ten opzichte van objecten die wel een hogere WOZ-waarde hebben. Dat kan worden ondervangen door ook het percentage te verhogen. Voorgesteld wordt om dat dan te verhogen naar 1,25% van de WOZ-waarde.”
5. Het aan de vaststelling van de Verordening voorafgaande voorstel van 14 november 2023 met als onderwerp “Diverse belastingverordeningen 2024” (het raadsvoorstel) bevat omtrent de verhoging van het tarief en het maximum van de forensenbelasting nagenoeg dezelfde overwegingen als de programmabegroting:
“Bij het vaststellen van de begroting is besloten om de opbrengst van de forensenbelasting met de algemene inflatiecorrectie van 4,2% te verhogen. Om dat te bereiken zal in ieder geval het maximumbedrag van de forensenbelasting met 4,2% moeten worden verhoogd. De afgelopen jaren is echter gebleken dat wanneer alleen het maximumbedrag stijgt er steeds meer objecten zijn waarvan de WOZ-waarde lager is dan de maximumgrondslag en waarvoor dus niet het maximumbedrag wordt geheven. Feitelijk worden die objecten dan in een vrijwel gelijkblijvende of dalende woningmarkt bevoordeeld ten opzichte van objecten die wel een hogere WOZ-waarde hebben. Dat kan worden ondervangen door ook het percentage te verhogen. Voorgesteld wordt om dat dan te verhogen naar 1,25% van de WOZ-waarde.”
Geschil
6. In geschil is de hoogte van de aanslag.
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Verordening – al dan niet partieel – buiten toepassing moet worden gelaten dan wel onverbindend moet worden verklaard. Kort en zakelijk weergegeven voert eiser daartoe aan:
- schending van het evenredigheidsbeginsel, het motiverings- en/of zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de gemeenteraad bij het besluit om het tarief en het maximum te verhogen de belangen van de forensenbelastingplichtigen die het betreft niet, althans niet op een juiste wijze, in de afweging heeft betrokken;
- dat het evenredigheidsbeginsel daarnaast wordt geschonden door de wanverhouding tussen de forensenbelasting en de omvang van de uitkeringen uit het gemeentefonds en de belastingen die van inwoners worden geheven;
- strijd met het verbod op détournement de pouvoir, het beginsel van fair play, de redelijkheid en billijkheid, het vertrouwensbeginsel alsmede het rechtszekerheidsbeginsel;
- strijd met het gelijkheidsbeginsel vanwege de ongelijke behandeling van eigenaren van recreatiewoningen die buiten de gemeente woonachtig zijn in vergelijking met huurders van recreatiewoningen, alsook in vergelijking met eigenaren van recreatiewoningen die in de gemeente staan ingeschreven; en
- strijd met het recht op eigendom om de reden dat de gemeente niet heeft onderzocht of de forensenbelasting niet in voorkomend geval leidt tot een individuele en buitensporige last.
8. Verweerder heeft het standpunt van eiser gemotiveerd weersproken en concludeert tot instandhouding van de aanslag en ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Inleiding
9. Artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat een forensenbelasting kan worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden (hierna: forensen).
10. Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet zijn de gemeenten vrij, met uitzondering van het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf, om zelf invulling te geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. [3] Artikel 223 vanPro de Gemeentewet stelt geen beperkingen aan de hoogte van het tarief. Deze bepalingen brengen met zich dat de hoogte van de forensenbelasting op zichzelf niet ter beoordeling van de rechter staat, maar alleen de vraag of de regeling daaromtrent strijdig is met de wet, met een eenieder verbindende verdragsbepaling dan wel met een algemeen rechtsbeginsel. [4]
11. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat de verhogingen van het maximum en het tarief de aanleiding waren in bezwaar en beroep te komen, maar dat naar zijn mening het tarief ook zonder die verhogingen onrechtmatig hoog is en de heffing ook op andere punten in strijd is met algemene rechtsbeginselen en verdragsnormen.
De verhogingen ten opzichte van 2023
12. Het standpunt van eiser over de verhoging van het maximum en het tarief moet worden beoordeeld aan de hand van het door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385 gegeven kader. De kernoverwegingen van dit arrest luiden (met weglating van voetnoten):
“5.3.1 Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast.
5.3.2 Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen.”
13. De verhoging van het maximum met 4,2% treft alleen degenen met een recreatiewoning waarvan de WOZ-waarde op of boven het bedrag ligt waarbij het maximum verschuldigd is. Bij een WOZ-waarde waarbij niet aan het maximum wordt gekomen, is de verhoging daarvan immers niet van invloed op het bedrag aan belasting.
In de programmabegroting is die verhoging ermee gemotiveerd dat niet wordt ontkomen aan een verhoging van de lasten met de reële inflatie en dat, om dat voor wat betreft de forensenbelasting te bereiken, het maximumbedrag met het algemene inflatiepercentage moet worden verhoogd. Deze verhoging bewerkstelligt niet meer dan dat de forensenbelasting bij een zo hoge woningwaarde dat het maximum is verschuldigd, gelijke tred houdt met de inflatie. Dat roept naar het oordeel van de rechtbank geen spanning met het evenredigheidsbeginsel op.
14. De verhoging van het tarief raakt alleen de forensen met een woning waarvan de WOZ-waarde onder het bedrag ligt waarbij het maximum verschuldigd is. Tot deze groep behoort eiser.
15. De voor deze verhoging gegeven toelichting houdt naar het oordeel van de rechtbank in die mate geen steek, dat niet louter van onjuiste argumenten sprake is maar van het feitelijk ontbreken van een motivering. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
De rechtbank kan niet inzien dat bij een stijging van het maximum de eigenaren van woningen met een WOZ-waarde waarbij het maximum niet wordt bereikt “feitelijk worden […] bevoordeeld ten opzichte van objecten die wel een hogere WOZ-waarde hebben” (zie onder 4 en 5). De forensenbelasting wordt naar een proportioneel tarief geheven, maar is bij een woningwaarde boven het bedrag waarbij het maximum wordt bereikt feitelijk degressief. [5] Dat is een comparatief voordeel voor de forensen voor wie dat zo is. Verhoging van het maximum reduceert de degressie en vermindert daarmee slechts het comparatieve voordeel van deze categorie forensen. [6] Daarin is niet een bevoordeling voor de categorie forensen met een lagere woningwaarde te onderkennen: zij zijn niet minder belasting verschuldigd dan zonder de verhoging.
Het wordt niet inzichtelijk(er), maar integendeel, alleen maar onduidelijker met de toevoeging dat deze categorie forensen “in een vrijwel gelijkblijvende of dalende woningmarkt” bevoordeeld wordt. De marktbeweging doet niet af aan wat hiervoor is overwogen. Daar komt bij dat sowieso al niet navolgbaar is wat met de opmerking gezegd zou zijn, gegeven dat – naar eiser onweersproken heeft gesteld – in de achterliggende jaren voor 2024 ook in de gemeente sprake was van een stijgende markt voor recreatiewoningen.
Voor de categorie onder het maximum betekent een verhoging van het tarief naar 1,25% een lastenverzwaring van 25%, terwijl op of boven het maximum de verzwaring beperkt blijft tot de inflatiecorrectie van 4,2%. [7] Welke overweging eraan ten grondslag ligt degenen onder het maximum verhoudingsgewijs zoveel harder te raken dan degenen daarboven, is aan de gegeven toelichting niet te ontlenen. Evenmin is daaraan te ontlenen of, laat staan hoe, de belangen van de categorie forensen onder het maximum zijn meegewogen bij het besluit hun lasten te verhogen met het zesvoudige van de algemene inflatiecorrectie; dit, terwijl blijkens de programmabegroting het uitgangspunt is de stijging van de lasten ten gevolge van de inflatie gelijkelijk te verdelen.
16. Doordat de toelichting naar het oordeel van de rechtbank zo ondeugdelijk is dat de ondergrens van een kenbare motivering niet wordt gehaald, kan zij niet beoordelen hoe de verhoging van het tarief zich verhoudt tot het evenredigheidsbeginsel. Zij laat daarom in zoverre de artikelen 5 en 11 van de Verordening ten aanzien van eiser buiten toepassing. Dat leidt tot vermindering van de aanslag tot één naar het voor 2023 geldende tarief van 1% en het voor 2024 geldende maximum van € 3.064.
Het niveau van de heffing, als zodanig
17. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffing zodanig zwaar is dat daarmee, ook los van de verhoging van het maximum en het tarief, strijd bestaat met de wet, verdragsnormen en/of algemene rechtsbeginselen.
18. Zoals door eiser naar voren gebracht, ligt aan de forensenbelasting ten grondslag dat niet-inwoners die beschikken over verblijfsgelegenheid binnen de gemeente wel gebruikmaken van door de gemeente bekostigde voorzieningen maar voor hen niet een bijdrage uit het gemeentefonds wordt ontvangen. Eiser verbindt daaraan dat de forensenbelasting in een evenredige verhouding dient te staan tot het bedrag dat de gemeente voor inwoners uit het gemeentefonds ontvangt en wat door inwoners aan gemeentelijke belastingen verschuldigd is. Wat daarbij als evenredig geldt, wordt naar zijn mening mede erdoor bepaald dat forensen typisch minder intensief van gemeentelijke voorzieningen gebruikmaken dan inwoners.
19. Blijkens vaste rechtspraak brengt de onderliggende ratio van artikel 223 vanPro de Gemeentewet niet mee dat in dat artikel een aan die ratio te ontlenen beperking van de hoogte van het tarief besloten ligt. [8] Uit dit artikel vloeit dus niet voort dat het bedrag aan forensenbelasting in een bepaalde verhouding moet staan tot het voordeel dat de forens heeft van gemeentelijke voorzieningen en het gemis van een bijdrage uit het gemeentefonds. Dit betekent dat ook als wordt uitgegaan van de door eiser gestelde en door verweerder weersproken verhouding tussen de forensenbelasting enerzijds en de bijdragen uit het gemeentefonds en de door inwoners verschuldigde belastingen anderzijds niet sprake is van schending van artikel 223 vanPro de Gemeentewet.
20. De rechtbank kan niet beoordelen of met het niveau van de forensenbelasting het evenredigheidsbeginsel geschonden wordt. Dat heeft de volgende reden.
Bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat het erom dat de nadelige gevolgen voor de betreffende belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met de maatregel te dienen doelen. Maatgevend is of de regelgever bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betreffende regeling heeft kunnen komen. [9] Partijen hebben geen gegevens ingebracht en geen debat gevoerd over de overwegingen die in de loop der jaren aan de tariefstelling ten grondslag zijn gelegd en die tot het huidige niveau daarvan hebben geleid. Daardoor is over de tegenover elkaar staande belangen niet meer te zeggen dan de algemeenheid, dat de gemeente het belang heeft middelen te genereren ter bestrijding van haar uitgaven en forensen het belang hebben hun middelen niet aan belastingheffing kwijt te raken. De rechter kan niet zelf een afweging tussen die belangen maken. Hij kan slechts beoordelen of de gemaakte afweging bij de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaat. Zonder informatie en debat over die overwegingen kan de rechtbank het niveau van de forensenbelasting daarom niet aan het evenredigheidsbeginsel toetsen.
21. Eiser heeft naar voren gebracht dat forensen niet stemgerechtigd zijn bij de verkiezing van de gemeenteraad en dat die raad daardoor geen remming heeft ten aanzien van de belastingheffing van forensen. Naar de rechtbank begrijpt, moet het beroep van eiser op het fair-playbeginsel in deze sleutel worden geplaatst. Als de gemeenteraad zich bij de tariefstelling mede zou hebben laten leiden door de overweging bij verkiezingen geen last te hebben van onvrede bij forensen, dan kan dat een element zijn dat bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel voert tot de bevinding van schending daarvan. Dat is in casu evenwel niet meer dan een eventualiteit, omdat daarvoor geen concrete aanwijzingen naar voren zijn gebracht. Die eventualiteit roept niet als zodanig spanning met enig algemeen rechtsbeginsel op. ‘No taxation without representation’ is niet een algemeen beginsel van behoorlijke regelgeving en gebrek aan vertegenwoordiging in de gemeenteraad raakt niet als zodanig aan het beginsel van fair play.
22. Eiser beroept zich op het verbod op détournement de pouvoir, evenwel zonder uiteen te zetten waarin oneigenlijk gebruik van bevoegdheid zou zijn gelegen. De rechtbank overweegt, volledigheidshalve, dat zij zonder informatie en debat over de aan de tariefstelling ten grondslag liggende overwegingen niet het niveau van de heffing aan dit beginsel kan toetsen.
23. Verder heeft eiser aangevoerd dat de hoogte van de belasting disproportioneel is en in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Hij heeft in dit verband naar voren gebracht dat het niveau van de heffing vér uitgaat boven dat van welke andere gemeente dan ook.
Gemeenten zijn echter vrij in het bepalen van de heffingsmaatstaf en het tarief (zie onder 10 hiervoor). De keuze van de gemeente om forensen veel zwaarder te belasten dan andere gemeenten doen – wat van deze stelling van eiser ook zij – is een beleidsmatige waar de rechtbank niet in kan treden.
Rechtszekerheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, recht op eigendom
24. Eiser voert aan dat de forensenbelasting in de achterliggende jaren onophoudelijk is gestegen, dat voor hem niet is te voorzien waar dat zal ophouden en dat in zoverre sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel.
Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel kunnen in de weg staan aan heffing met terugwerkende kracht of aan een heffing in strijd met gewekte verwachtingen. Dat van het een of het ander sprake is, is gesteld noch gebleken. Die beginselen kunnen in voorkomend geval ook in de weg staan aan een toekomstige tariefsverhoging, maar dat kan voor het eerst aan de orde komen bij een geschil over een toekomstige aanslag. De rechtbank kan niet op voorhand over toekomstige regelgeving oordelen.
25. Eiser stelt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 1 vanPro de Grondwet, artikel 26 vanPro het IVBPR en artikel 14 vanPro het EVRM in verbinding met artikel 1 vanPro het Twaalfde Protocol daarbij. Hij acht met dat beginsel strijdig hoe eigenaren van recreatiewoningen worden belast ten opzichte van huurders, en hoe de eigenaar van een recreatiewoning die niet in de gemeente woonachtig is wordt behandeld ten opzichte van de eigenaar van een in de gemeente gelegen recreatiewoning die wel in de gemeente woont.
26. De eigenaar van een recreatiewoning die daar op minder dan 90 dagen per jaar over kan beschikken voor eigen gebruik – doordat hij de woning op meer dan 275 dagen voor verhuur beschikbaar houdt onder zodanige omstandigheden dat zij op die dagen niet voor eigen verblijf kan worden benut – is geen forensenbelasting verschuldigd. Degene die een recreatiewoning gedurende meer dan 90 dagen per jaar huurt voor eigen verblijf is dat wel. Van een ongelijke behandeling van eigenaren ten opzichte van huurders van een recreatiewoning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
27. De gevallen van een niet-inwoner met een recreatiewoning binnen de gemeente en van iemand die zijn hoofdverblijf binnen de gemeente heeft en daarnaast nog over een recreatiewoning aldaar beschikt, zijn voor de forensenbelasting niet gelijk. Het is immers inherent aan de forensenbelasting dat deze wordt geheven van een niet-ingezetene en hieruit vloeit logischerwijs een onderscheid tussen inwoners en niet-inwoners voort.
28. Eiser heeft naar voren gebracht dat de gemeente nooit kenbaar onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de forensenbelasting kan leiden tot een met artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM strijdige individuele en buitensporige last. Of zich zodanige strijd voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. De gemeente is niet gehouden daar op voorhand onderzoek naar te doen. Bovendien is de bevinding dat de forensenbelasting in voorkomend geval tot een individuele en buitensporige last kan leiden alleen relevant in de gevallen waarin zich dat voordoet. Eiser heeft niet gesteld dat de forensenbelasting een individuele en buitensporige last voor hem vormt en daarvan is ook niet gebleken. Het beroep op het eigendomsrecht gaat dan ook niet op.
Slotsom
29. Gelet op wat hiervoor is overwogen moet het beroep gegrond worden verklaard en moet de aanslag worden verminderd tot € 2.860 (1% van de WOZ-waarde van € 286.000).
Proceskosten
30. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zittingen met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Eiser heeft ook verzocht om een vergoeding van zijn reis- en verblijfkosten, namelijk € 33 voor de eerste zitting en € 35 voor de tweede zitting. Verweerder heeft zich ter zitting akkoord verklaard met deze kosten. De proceskostenveroordeling voor de beroepsfase bedraagt hiermee in totaal € 2.870. Gedurende de bezwaarfase is niet om een kostenvergoeding verzocht, zodat ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb geen vergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de aanslag tot € 2.860;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.870;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
1.Gemeenteblad 2023, 559733.
2.Verordening 2023, Gemeenteblad 2022, 575866.
3.Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-66.
5.Uitgaande van het tarief en het maximum voor 2023 is bij WOZ-waarde van € 294.100 net zoveel forensenbelasting verschuldigd als bij een WOZ-waarde van € 392.133, namelijk het maximum van € 2.941. Dat is in het eerste geval 1% van de WOZ-waarde en in het tweede geval 0,75%. Dit percentage daalt verder naar mate de waarde hoger is; bij een WOZ-waarde van € 588.200 is het 0,50%.
6.Aansluitend bij het getallenvoorbeeld van de vorige voetnoot: bij verhoging van het maximum naar € 3.064 is bij een WOZ-waarde van € 588.200 daarover 0,52% verschuldigd in plaats van 0,50%.
7.Ter precisering: in 2024 is bij een WOZ-waarde tot € 245.120 de lastenverzwaring 25%; naar mate de WOZ-waarde hoger is, komt de lastenverzwaring lager uit; bij € 294.100 is zij 4,2%.