AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank bevestigt rechtmatigheid verhoging forensenbelasting 2024 ondanks beroep op evenredigheidsbeginsel
Eiseres, eigenaar van een recreatiewoning met een WOZ-waarde van €320.000, maakte bezwaar tegen de aanslag forensenbelasting 2024 van €3.064, waarin het tarief met 25% en het maximum met 4,2% waren verhoogd. Zij stelde dat deze verhogingen en de heffing in het algemeen in strijd waren met het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod op détournement de pouvoir, het fair-playbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het recht op eigendom.
De rechtbank oordeelde dat de verhoging van het maximum met 4,2% een inflatiecorrectie betreft die niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De tariefsverhoging van 25% raakt eiseres niet omdat haar WOZ-waarde boven het maximum ligt, waardoor deze verhoging geen effect op haar aanslag heeft. De rechtbank kon het niveau van de forensenbelasting niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel vanwege het ontbreken van informatie en debat over de beleidsmatige afwegingen.
Verder wees de rechtbank de overige beroepen af. Er was geen sprake van onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering, geen aanwijzingen voor détournement de pouvoir, en het fair-playbeginsel werd niet geschonden. Ook was er geen ongelijke behandeling tussen eigenaren en huurders van recreatiewoningen of tussen eigenaren binnen en buiten de gemeente. Het beroep op het recht op eigendom faalde omdat geen individuele en buitensporige last was aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de verhoging van het tarief en maximum van de forensenbelasting 2024 wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/3655
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres], wonende te [plaats 1], eiseres
(gemachtigde: mr. L.S.C. Stegmann),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2024 een aanslag forensenbelasting opgelegd ten bedrage van € 3.064 (de aanslag).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 april 2025 de aanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld en het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft het onderzoek op 17 december 2025 heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 17 maart 2026. Net zoals bij de zitting op 5 december 2025 zijn de beroepen met zaaknummers SGR 25/3655 en SGR 25/3606 gelijktijdig behandeld. Namens eiseres zijn haar gemachtigde en P.J. van der Zaag verschenen, bijgestaan door J.W. Nuijen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.C. Lam, R.M. Koedood, K. Oudshoorn en D. Dolman.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is eigenaar van een gemeubileerde recreatiewoning aan de [adres] in [plaats 2] (de recreatiewoning). Eiseres had in 2024 haar hoofdverblijf buiten de [gemeente]. De WOZ-waarde van de recreatiewoning voor het jaar 2024 is bij beschikking vastgesteld op € 320.000.
2. Voor zover hier van belang, is in de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2024 (de Verordening) [1] van de gemeente het volgende bepaald:
1. Onder de naam “forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
1. De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt is vastgesteld.
De belasting bedraagt 1,25% van de waarde als bedoeld in artikel 4 metPro een maximum van € 3.064,--.”
3. Ten opzichte van 2023 is het belastingtarief met 25% verhoogd, van 1% naar 1,25%, en is het maximum met (afgerond) 4,2% verhoogd, van € 2.941 naar € 3.064. [2]
4. In de programmabegroting 2024-2027 zijn deze verhogingen als volgt toegelicht:
“ Lasten voor inwoners en ondernemers
We letten erop dat de financiële pijn zo eerlijk mogelijk verdeeld wordt in onze samenleving. Voor zowel inwoners als ondernemers ontkomen we niet aan een verhoging van de lasten met de reële inflatie met 4,2%.
(…)
Forensenbelasting
Voorgesteld wordt om de opbrengst van de forensenbelasting met de algemene inflatiecorrectie van 4,2% te verhogen. Om dat te bereiken zal in ieder geval het maximumbedrag van de forensenbelasting met 4,2% moeten worden verhoogd. De afgelopen jaren is echter gebleken dat wanneer alleen het maximumbedrag stijgt er steeds meer objecten zijn waarvan de WOZ-waarde lager is dan de maximumgrondslag en waarvoor dus niet het maximumbedrag wordt geheven. Feitelijk worden die objecten dan bevoordeeld ten opzichte van objecten die wel een hogere WOZ-waarde hebben. Dat kan worden ondervangen door ook het percentage te verhogen. Voorgesteld wordt om dat dan te verhogen naar 1,25% van de WOZ-waarde.”
5. Het aan de vaststelling van de Verordening voorafgaande voorstel van 14 november 2023 met als onderwerp “Diverse belastingverordeningen 2024” (het raadsvoorstel) bevat omtrent de verhoging van het tarief en het maximum van de forensenbelasting nagenoeg dezelfde overwegingen als de programmabegroting:
“Bij het vaststellen van de begroting is besloten om de opbrengst van de forensenbelasting met de algemene inflatiecorrectie van 4,2% te verhogen. Om dat te bereiken zal in ieder geval het maximumbedrag van de forensenbelasting met 4,2% moeten worden verhoogd. De afgelopen jaren is echter gebleken dat wanneer alleen het maximumbedrag stijgt er steeds meer objecten zijn waarvan de WOZ-waarde lager is dan de maximumgrondslag en waarvoor dus niet het maximumbedrag wordt geheven. Feitelijk worden die objecten dan in een vrijwel gelijkblijvende of dalende woningmarkt bevoordeeld ten opzichte van objecten die wel een hogere WOZ-waarde hebben. Dat kan worden ondervangen door ook het percentage te verhogen. Voorgesteld wordt om dat dan te verhogen naar 1,25% van de WOZ-waarde.”
Geschil
6. In geschil is de hoogte van de aanslag.
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de Verordening – al dan niet partieel – buiten toepassing moet worden gelaten dan wel onverbindend moet worden verklaard. Kort en zakelijk weergegeven voert eiseres daartoe aan:
- schending van het evenredigheidsbeginsel, het motiverings- en/of zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de gemeenteraad bij het besluit om het tarief en het maximum te verhogen de belangen van de forensenbelastingplichtigen die het betreft niet, althans niet op een juiste wijze, in de afweging heeft betrokken;
- dat het evenredigheidsbeginsel daarnaast wordt geschonden door de wanverhouding tussen de forensenbelasting en de omvang van de uitkeringen uit het gemeentefonds en de belastingen die van inwoners worden geheven;
- strijd met het verbod op détournement de pouvoir, het beginsel van fair play, de redelijkheid en billijkheid, het vertrouwensbeginsel alsmede het rechtszekerheidsbeginsel;
- strijd met het gelijkheidsbeginsel vanwege de ongelijke behandeling van eigenaren van recreatiewoningen die buiten de gemeente woonachtig zijn in vergelijking met huurders van recreatiewoningen, alsook in vergelijking met eigenaren van recreatiewoningen die in de gemeente staan ingeschreven; en
- strijd met het recht op eigendom om de reden dat de gemeente niet heeft onderzocht of de forensenbelasting niet in voorkomend geval leidt tot een individuele en buitensporige last.
8. Verweerder heeft het standpunt van eiseres gemotiveerd weersproken en concludeert tot instandhouding van de aanslag en ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Inleiding
9. Artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat een forensenbelasting kan worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden (hierna: forensen).
10. Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet zijn de gemeenten vrij, met uitzondering van het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf, om zelf invulling te geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. [3] Artikel 223 vanPro de Gemeentewet stelt geen beperkingen aan de hoogte van het tarief. Deze bepalingen brengen met zich dat de hoogte van de forensenbelasting op zichzelf niet ter beoordeling van de rechter staat, maar alleen de vraag of de regeling daaromtrent strijdig is met de wet, met een eenieder verbindende verdragsbepaling dan wel met een algemeen rechtsbeginsel. [4]
11. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat de verhogingen van het maximum en het tarief de aanleiding waren in bezwaar en beroep te komen, maar dat naar zijn mening het tarief ook zonder die verhogingen onrechtmatig hoog is en de heffing ook op andere punten in strijd is met algemene rechtsbeginselen en verdragsnormen.
De verhogingen ten opzichte van 2023
12. Het standpunt van eiseres over de verhoging van het maximum en het tarief moet worden beoordeeld aan de hand van het door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385 gegeven kader. De kernoverwegingen van dit arrest luiden (met weglating van voetnoten):
“5.3.1 Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast.
5.3.2 Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen.”
13. De verhoging van het maximum met 4,2% treft alleen degenen met een recreatiewoning waarvan de WOZ-waarde op of boven het bedrag ligt waarbij het maximum verschuldigd is. Tot deze categorie forensen behoort eiseres. Bij een WOZ-waarde waarbij niet aan het maximum wordt gekomen, is de verhoging daarvan immers niet van invloed op het bedrag aan belasting. In de programmabegroting is die verhoging ermee gemotiveerd dat niet wordt ontkomen aan een verhoging van de lasten met de reële inflatie en dat, om dat voor wat betreft de forensenbelasting te bereiken, het maximumbedrag met het algemene inflatiepercentage moet worden verhoogd. Deze verhoging bewerkstelligt niet meer dan dat de forensenbelasting bij een zo hoge woningwaarde dat het maximum is verschuldigd, gelijke tred houdt met de inflatie. Dat roept naar het oordeel van de rechtbank geen spanning met het evenredigheidsbeginsel op.
14. De verhoging van het tarief raakt alleen de forensen met een woning waarvan de WOZ-waarde onder het bedrag ligt waarbij het maximum verschuldigd is. Tot deze categorie forensen behoort eiseres niet, aangezien de recreatiewoning een WOZ-waarde van € 320.000 heeft en deze waarde inmiddels rechtens onherroepelijk vaststaat. Zelfs als de tariefsverhoging buiten toepassing zou worden gelaten, dan zou dit voor eiseres niet tot een lagere aanslag leiden. In het geval van eiseres kan de tariefsverhoging dus niet leiden tot schending van het evenredigheidsbeginsel en deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.
Het niveau van de heffing, als zodanig
15. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de heffing zodanig zwaar is dat daarmee, ook los van de verhoging van het maximum en het tarief, strijd bestaat met de wet, verdragsnormen en/of algemene rechtsbeginselen.
16. Zoals door eiseres naar voren gebracht, ligt aan de forensenbelasting ten grondslag dat niet-inwoners die beschikken over verblijfsgelegenheid binnen de gemeente wel gebruikmaken van door de gemeente bekostigde voorzieningen maar voor hen niet een bijdrage uit het gemeentefonds wordt ontvangen. Eiseres verbindt daaraan dat de forensenbelasting in een evenredige verhouding dient te staan tot het bedrag dat de gemeente voor inwoners uit het gemeentefonds ontvangt en wat door inwoners aan gemeentelijke belastingen verschuldigd is. Wat daarbij als evenredig geldt, wordt naar haar mening mede erdoor bepaald dat forensen typisch minder intensief van gemeentelijke voorzieningen gebruikmaken dan inwoners.
17. Blijkens vaste rechtspraak brengt de onderliggende ratio van artikel 223 vanPro de Gemeentewet niet mee dat in dat artikel een aan die ratio te ontlenen beperking van de hoogte van het tarief besloten ligt. [5] Uit dit artikel vloeit dus niet voort dat het bedrag aan forensenbelasting in een bepaalde verhouding moet staan tot het voordeel dat de forens heeft van gemeentelijke voorzieningen en het gemis van een bijdrage uit het gemeentefonds. Dit betekent dat ook als wordt uitgegaan van de door eiseres gestelde en door verweerder weersproken verhouding tussen de forensenbelasting enerzijds en de bijdragen uit het gemeentefonds en de door inwoners verschuldigde belastingen anderzijds niet sprake is van schending van artikel 223 vanPro de Gemeentewet.
18. De rechtbank kan niet beoordelen of met het niveau van de forensenbelasting het evenredigheidsbeginsel geschonden wordt. Dat heeft de volgende reden.
Bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat het erom dat de nadelige gevolgen voor de betreffende belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met de maatregel te dienen doelen. Maatgevend is of de regelgever bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betreffende regeling heeft kunnen komen. [6] Partijen hebben geen gegevens ingebracht en geen debat gevoerd over de overwegingen die in de loop der jaren aan de tariefstelling ten grondslag zijn gelegd en die tot het huidige niveau daarvan hebben geleid. Daardoor is over de tegenover elkaar staande belangen niet meer te zeggen dan de algemeenheid, dat de gemeente het belang heeft middelen te genereren ter bestrijding van haar uitgaven en forensen het belang hebben hun middelen niet aan belastingheffing kwijt te raken. De rechter kan niet zelf een afweging tussen die belangen maken. Hij kan slechts beoordelen of de gemaakte afweging bij de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaat. Zonder informatie en debat over die overwegingen kan de rechtbank het niveau van de forensenbelasting daarom niet aan het evenredigheidsbeginsel toetsen.
19. Eiseres heeft naar voren gebracht dat forensen niet stemgerechtigd zijn bij de verkiezing van de gemeenteraad en dat die raad daardoor geen remming heeft ten aanzien van de belastingheffing van forensen. Naar de rechtbank begrijpt, moet het beroep van eiseres op het fair-playbeginsel in deze sleutel worden geplaatst.
Als de gemeenteraad zich bij de tariefstelling mede zou hebben laten leiden door de overweging bij verkiezingen geen last te hebben van onvrede bij forensen, dan kan dat een element zijn dat bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel voert tot de bevinding van schending daarvan. Dat is in casu evenwel niet meer dan een eventualiteit, omdat daarvoor geen concrete aanwijzingen naar voren zijn gebracht. Die eventualiteit roept niet als zodanig spanning met enig algemeen rechtsbeginsel op. ‘No taxation without representation’ is niet een algemeen beginsel van behoorlijke regelgeving en gebrek aan vertegenwoordiging in de gemeenteraad raakt niet als zodanig aan het beginsel van fair play.
20. Eiseres beroept zich op het verbod op détournement de pouvoir, evenwel zonder uiteen te zetten waarin oneigenlijk gebruik van bevoegdheid zou zijn gelegen. De rechtbank overweegt, volledigheidshalve, dat zij zonder informatie en debat over de aan de tariefstelling ten grondslag liggende overwegingen niet het niveau van de heffing aan dit beginsel kan toetsen.
21. Verder heeft eiseres aangevoerd dat de hoogte van de belasting disproportioneel is en in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Zij heeft in dit verband naar voren gebracht dat het niveau van de heffing vér uitgaat boven dat van welke andere gemeente dan ook.
Gemeenten zijn echter vrij in het bepalen van de heffingsmaatstaf en het tarief (zie onder 10 hiervoor). De keuze van de gemeente om forensen veel zwaarder te belasten dan andere gemeenten doen – wat van deze stelling van eiseres ook zij – is een beleidsmatige waar de rechtbank niet in kan treden.
Rechtszekerheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, recht op eigendom
22. Eiseres voert aan dat de forensenbelasting in de achterliggende jaren onophoudelijk is gestegen, dat voor haar niet is te voorzien waar dat zal ophouden en dat in zoverre sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel.
Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel kunnen in de weg staan aan heffing met terugwerkende kracht of aan een heffing in strijd met gewekte verwachtingen. Dat van het een of het ander sprake is, is gesteld noch gebleken. Die beginselen kunnen in voorkomend geval ook in de weg staan aan een toekomstige tariefsverhoging, maar dat kan voor het eerst aan de orde komen bij een geschil over een toekomstige aanslag. De rechtbank kan niet op voorhand over toekomstige regelgeving oordelen.
23. Eiseres stelt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 1 vanPro de Grondwet, artikel 26 vanPro het IVBPR en artikel 14 vanPro het EVRM in verbinding met artikel 1 vanPro het Twaalfde Protocol daarbij. Zij acht met dat beginsel strijdig hoe eigenaren van recreatiewoningen worden belast ten opzichte van huurders, en hoe de eigenaar van een recreatiewoning die niet in de gemeente woonachtig is wordt behandeld ten opzichte van de eigenaar van een in de gemeente gelegen recreatiewoning die wel in de gemeente woont.
24. De eigenaar van een recreatiewoning die daar op minder dan 90 dagen per jaar over kan beschikken voor eigen gebruik – doordat hij de woning op meer dan 275 dagen voor verhuur beschikbaar houdt onder zodanige omstandigheden dat zij op die dagen niet voor eigen verblijf kan worden benut – is geen forensenbelasting verschuldigd. Degene die een recreatiewoning gedurende meer dan 90 dagen per jaar huurt voor eigen verblijf is dat wel. Van een ongelijke behandeling van eigenaren ten opzichte van huurders van een recreatiewoning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
25. De gevallen van een niet-inwoner met een recreatiewoning binnen de gemeente en van iemand die zijn hoofdverblijf binnen de gemeente heeft en daarnaast nog over een recreatiewoning aldaar beschikt, zijn voor de forensenbelasting niet gelijk. Het is immers inherent aan de forensenbelasting dat deze wordt geheven van een niet-ingezetene en hieruit vloeit logischerwijs een onderscheid tussen inwoners en niet-inwoners voort.
26. Eiseres heeft naar voren gebracht dat de gemeente nooit kenbaar onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de forensenbelasting kan leiden tot een met artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM strijdige individuele en buitensporige last. Of zich zodanige strijd voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. De gemeente is niet gehouden daar op voorhand onderzoek naar te doen. Bovendien is de bevinding dat de forensenbelasting in voorkomend geval tot een individuele en buitensporige last kan leiden alleen relevant in de gevallen waarin zich dat voordoet. Eiseres heeft niet gesteld dat de forensenbelasting een individuele en buitensporige last voor haar vormt en daarvan is ook niet gebleken. Het beroep op het eigendomsrecht gaat dan ook niet op.
Slotsom
27. Gelet op wat hiervoor is overwogen, moet het beroep ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
1.Gemeenteblad 2023, 559733.
2.Verordening 2023, Gemeenteblad 2022, 575866.
3.Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-66.