ECLI:NL:RBDHA:2026:12778

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24603
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 VwArt. 6 lid 3 VwArt. 6a VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.1a Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling en Dublinindicaties

Eiser is op 25 april 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Twee besluiten tot vrijheidsontneming zijn genomen, waarvan het eerste besluit pas op 26 april 2026 digitaal werd ondertekend vanwege een technische storing. Eiser betoogt dat het eerste besluit niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat Dublinindicaties ten onrechte niet zijn aangenomen.

De rechtbank oordeelt dat het eerste besluit weliswaar op 25 april 2026 aan eiser is uitgereikt, maar dat het dossier geen ondertekend besluit van die datum bevat. Verder blijkt uit het tweede besluit dat verweerder op 26 april 2026 Dublinindicaties aannam op basis van informatie die reeds op 25 april 2026 bekend was. Dit had ook in het eerste besluit gemotiveerd moeten worden, waardoor het beroep tegen het eerste besluit gegrond wordt verklaard.

Ten aanzien van het tweede besluit oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser niet over de juiste documenten beschikte en dat er sprake was van risico op onttrekking aan toezicht vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende bestaansmiddelen. Het beroep tegen het tweede besluit wordt daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €240,- voor twee dagen onrechtmatige detentie en veroordeelt de Staat in de proceskosten van €1.868,-. Het vonnis is uitgesproken door rechter E.M.A. Vinken op 20 mei 2026.

Uitkomst: Beroep tegen eerste besluit gegrond wegens onvoldoende motivering Dublinindicaties, beroep tegen tweede besluit ongegrond, schadevergoeding toegekend voor onrechtmatige detentie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24603

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

1. Bij besluit, gedateerd 26 april 2026 (bestreden besluit 1), is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Bij besluit van dezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser eveneens een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.3.
Eiser heeft gronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daar op gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.5.
Verweerder heeft op 17 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Wat zijn de feiten?
4. Volgens het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel, op ambtsbelofte opgemaakt op 25 april 2025 en ondertekend op 26 april 2026 om 14:14 uur, heeft [verbalisant 1] op 25 april 2026 de maatregel opgelegd en uitgereikt en is ook de bijbehorende folder uitgereikt. Volgens het proces-verbaal van bevindingen algemeen, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend op 26 april 2026 om 14:15 uur, heeft [verbalisant 1] de beschikking op 25 april 2026 niet digitaal kunnen ondertekenen en heeft zij daarom de beschikking op 26 april 2026 digitaal ondertekend. Volgens het proces-verbaal van gehoor, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend op 26 april 2026 om 14:15 uur, heeft [verbalisant 1] eiser op 25 april 2026 omstreeks 18:55 uur gehoord.
5. Blijkens de beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 derde Pro lid, of artikel 6a van de Vw aan Dublinclaimanten, opgemaakt en ondertekend op 26 april 2026 om 11:06 uur, heeft [verbalisant 2] op 26 april 2026 de maatregel opgelegd. Volgens het proces-verbaal van bevindingen algemeen, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend op 26 april 2026 om 12:30 uur, heeft [verbalisant 2] eiser op 26 april 2026 omstreeks 10:20 uur gehoord.

Wat vindt eiser?

6. Primair voert eiser aan dat er geen besluit tot stand is gekomen op 25 april 2026. Het dossier bevat immers geen besluit van die datum. Als verweerder niet in staat is om de vrijheidsontnemende maatregel digitaal te ondertekenen, had hij de maatregel moeten uitdraaien en met een zogenaamde natte handtekening moeten uitreiken. Verweerder heeft pas op 26 april 2026 om 11:06 uur, bij bestreden besluit 2, voor het eerst eiser in bewaring gesteld. Bestreden besluit 1 is later getekend, namelijk op 26 april 2026 om 14:14 uur. Daarmee is bestreden besluit 2 van rechtswege vervallen. Nu bestreden besluit 1 geen zware en lichte gronden bevat, zit eiser daarom sinds 26 april 2026 om 14:14 uur onrechtmatig in detentie.
6.1.
Subsidiair, voor zover de rechtbank ervanuit gaat dat bestreden besluit 1 wel op
25 april 2026 is opgelegd, voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen Dublinaanknopingspunten heeft aangenomen. Eiser is namelijk naar Nederland gereisd met een vlucht vanuit Cyprus.
6.2.
Ten aanzien van bestreden besluit 2 voert eiser het volgende aan. Verweerder heeft bij zware grond 3a ten onrechte toegelicht dat eiser met een ander doel is ingereisd dan waar zijn visum voor is bedoeld. Eiser had namelijk geen visum. Ten aanzien van de lichte gronden wijst eiser erop dat hij recht heeft op opvangvoorzieningen en dat er sprake zal zijn van een gecontroleerde Dublinoverdracht. Niet valt in te zien hoe het ontbreken van bestaansmiddelen en een vaste woon- of verblijfplaats de overdracht kan frustreren.
Wat vindt verweerder?
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bestreden besluit 1 op 25 april 2026 tot stand is gekomen en ook is uitgereikt. Dat dit besluit op 26 april om 14:14 is ondertekend, komt door overmacht. Bovendien heeft eiser op 25 april 2026 de folder in de Arabische taal ontvangen, waardoor hij kennis heeft kunnen nemen van de inbewaringstelling en de redenen daarvan. Het feit dat de maatregel niet op 25 april 2026 is ondertekend, levert dan ook geen gebrek op. Verweerder heeft verder voldoende uitgelegd dat er op 25 april 2026 nog geen Dublinindicaties waren. Pas na onderzoek naar de reisroute van eiser is een claimverzoek ingediend bij Cyprus. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat uit het beroepschrift volgt dat het beroep zich alleen richt tegen bestreden besluit 2, omdat dat het enige besluit van 26 april 2026 is. Op zitting heeft verweerder aangegeven zich er niet tegen te verzetten om beide besluiten te behandelen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. Gelet op het belang van eiser bij de beoordeling van de rechtmatigheid van zijn vrijheidsontnemening en de samenhang van de bestreden besluiten bij de beoordeling van het geschil, gaat de rechtbank ervanuit dat beroep is ingesteld tegen beide besluiten en zal de rechtbank beide besluiten beoordelen.
Bestreden besluit 1
10. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen vrijheidsontnemende maatregel bevat die gedateerd of ondertekend is op 25 april 2026. Uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van bevindingen bij de asielaanvraag blijkt echter wel dat op 25 april 2026 de beschikking en de bijbehorende informatiefolder aan eiser zijn uitgereikt. [1] De rechtbank gaat er daarom vanuit dat bestreden besluit 1 op 25 april 2026 aan eiser is uitgereikt. De stelling van eiser dat bestreden besluit 1 in de plaats is gekomen voor bestreden besluit 2 volgt de rechtbank dan ook niet.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser terecht gesteld dat niet is gebleken dat er op het moment van het nemen van bestreden besluit 1 nog geen concrete aanknopingspunten waren voor overdracht in het kader van de Dublinverordening. Uit de motivering van bestreden besluit 2 blijkt dat verweerder Dublinaanknopingspunten zag in de vlucht uit Cyprus en eisers verblijf in Cyprus. Dit is informatie die ten tijde van bestreden besluit 1 ook al bij verweerder bekend was. Eiser is namelijk op 25 april 2025 door verweerder gehoord en heeft toen verklaard dat hij vanuit Cyprus is gekomen en een week in Cyprus heeft verbleven. [2] Niet gebleken is welk onderzoek verweerder tussen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 heeft verricht, wat tot nadere inzichten heeft geleid. Dat het raadplegen van Eurodac en EU-vis geen resultaten opleverde en het paspoort van eiser geen visum of inreisstempels bevatte, maakt het oordeel niet anders. Dat laat namelijk onverlet dat uit bestreden besluit 2 moet worden afgeleid dat verweerder op 26 april 2026 Dublinaanknopingspunten heeft aangenomen op grond van informatie die op 25 april 2026 ook al beschikbaar was. Dit betekent dat verweerder in bestreden besluit 1 al had kunnen aannemen dat er Dublinindicaties waren en dat ook had kunnen en moeten motiveren. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.
Bestreden besluit 2
12. De rechtbank oordeelt verder dat eiser ten aanzien van zware grond 3a terecht betoogt dat hij geen visum had, maar dat neemt niet weg dat eiser niet de juiste documenten had voor grensoverschrijding en niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Verweerder heeft zware grond 3a daarom terecht tegengeworpen.
12.1.
Verder is volgens vaste rechtspraak voor de toepassing van de bepalingen gesteld bij en krachtens de Vw slechts sprake van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de BRP [3] , of wanneer de vreemdeling op een andere wijze aantoont dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. [4] Verblijf in het detentiecentrum valt hier niet onder. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2017 [5] waarbij de Afdeling – kort gezegd – heeft geoordeeld dat met de enkele stelling van de vreemdeling dat hij verblijf had in het aanmeldcentrum Ter Apel hij niet heeft aangetoond dat hij een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Daarbij heeft verweerder op goede gronden overwogen dat uit het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats een risico op onttrekking aan het toezicht mag worden afgeleid.
12.2.
Verder heeft verweerder ook lichte grond 4d mogen tegenwerpen, omdat niet is gebleken dat eiser voldoende middelen van bestaan heeft. Verweerder heeft daarbij op goede gronden overwogen dat het ontbreken van voldoende middelen van bestaan betekent dat eiser zijn uitreis niet kan bekostigen en dat dit het risico op onttrekking aan het toezicht groter maakt.
12.3.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [6] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond en het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 2 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 240,-.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij zal de rechtbank ook een punt toekennen voor de aanwezigheid ter zitting. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de behandeling ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 240,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel, procesnummer 3414698, bladzijde 2.
2.Proces-verbaal van gehoor van 25 april 2026, bladzijde 2.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4131.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5036, onder 2.1.4.
5.ECLI:NL:RVS:2017:1467, onder 4.2.
6.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.