Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL24.36631
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.14 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.16 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.22 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 9 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie

Eiser, een minderjarige van Ugandese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij referent, die in Nederland verblijft. De minister wees de aanvraag af omdat de biologische of juridische relatie tussen eiser en referent niet was aangetoond en referent niet voldeed aan het middelenvereiste.

De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat de minister terecht de aanvraag heeft afgewezen. Onderzoek door Bureau Documenten wees op inconsistenties en mogelijke fraude bij de overgelegde documenten, waaronder geboorteakte en paspoort. Eiser heeft onvoldoende tegenbewijs geleverd en nieuwe documenten die kort voor de zitting werden ingediend, werden buiten beschouwing gelaten.

Daarnaast voldeed referent niet aan het wettelijke middelenvereiste, omdat zij een uitkering ontvangt en niet zelfstandig over voldoende middelen beschikt. Omdat de familierechtelijke relatie niet is vastgesteld, is ook geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, waardoor belangenafweging niet aan de orde is.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen recht krijgt op verblijf en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie en niet voldoen aan het middelenvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36631
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], van de Ugandese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Ubbergen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]’ (hierna: referent).
1.1.
De minister wees de mvv aanvraag af, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is bewezen en omdat referent niet voldoet aan het middelenvereisten. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Referent heeft een aanvraag ingediend voor een mvv ten behoeve van eiser in de procedure Toegang en Verblijf (hierna: TEV), voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij referent, de gestelde moeder van eiser. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, referent, T. Kibuuka als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er aan deze procedure vooraf?
3. Eiser is minderjarig en stelt de zoon te zijn van referent. Referent heeft verklaard Uganda te hebben moeten verlaten in oktober 2018 omdat haar leven in gevaar was. Ze kon haar zoon niet meenemen vanwege financiële redenen. Haar zoon wordt vanaf april 2020 verzorgd door een vriendin van referent en in de vakanties hebben eiser en referent contact. Ze ondersteunt hem ook door geldovermakingen aan haar vriendin. Referent heeft een Nederlandse verblijfsvergunning en heeft hier drie andere minderjarige kinderen. Ter onderbouwing van de aanvraag heeft referent de volgende documenten overgelegd: een geboorteakte (geboorteakte 1), een kaart van het consultatiebureau, een paspoort (paspoort 1), een nieuw paspoort (paspoort 2), foto’s van haar en eiser, verklaringen van haar zelf, verklaringen van twee vriendinnen en van de basisschool van eiser, eiser zijn schoolrapporten en bewijs van geldovermakingen aan een vriendin.
Besluitvorming
4.1.
De minister heeft via Bureau Documenten (hierna: BD) een onderzoek laten uitvoeren naar de echtheid van de overgelegde documenten omdat op drie documenten, twee verschillende geboortedata geregistreerd staan. Op het mvv aanvraagformulier en paspoort 1 staat [geboortedag 1] 2012 als geboortedatum van eiser. Op de geboorteakte 1 en de kaart van het consultatiebureau staat [geboortedag 2] 2012 als geboortedatum. Ten aanzien van de kaart van het consultatiebureau concludeert BD dat deze niet in deze gewijzigde staat is opgemaakt en afgegeven en niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Over de geboorteakte 1 concludeert BD dat deze mogelijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven en niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Over paspoort 1 concludeert BD dat het echt is, maar dat geen uitspraak kan worden gedaan over opmaak en afgifte. In het geval geboorteakte 1 ten grondslag lag aan de verkrijging van paspoort 1 is paspoort 1 mogelijk fraudeleus verkregen en niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.
4.2.
Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen, omdat referent niet heeft aangetoond dat eiser haar biologische kind is en de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is aangetoond. Daarnaast heeft referent niet aangetoond aan het middelenvereiste te voldoen. Ook is niet aangetoond dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [1]
4.3.
Met het bestreden besluit is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft referent niet gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Standpunt eiser
5.1.
Eiser voert aan dat hij aan alle voorwaarden voldoet voor afgifte van een mvv. Volgens eiser is de afwijzing van de mvv-aanvraag in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Referent heeft bijzondere banden in Nederland. Zij is woonachtig in Nederland met haar Nederlandse kind en haar familie en vrienden wonen hier. Daarnaast is het gezinsleven tussen referent en haar kinderen sterk. Als de mvv niet wordt afgegeven kan zij het gezinsleven niet in Nederland uitoefenen. Het belang van eiser om in Nederland te gaan verblijven is groot, omdat hij anders in een land zonder zijn moeder moet verblijven.
5.2.
Eiser voert verder aan dat sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden en dat hij op grond van het recht op familie- of gezinsleven recht heeft op verblijf in Nederland. Hij kan bij een langer verblijf in Uganda zonder zijn moeder sociaal-emotionele problemen krijgen. Daarbij heeft referent een Nederlandse verblijfsvergunning en dit moet worden afgewogen tegen de algemene belangen die gediend zijn met het voeren van een restrictief vreemdelingenbeleid.
Heeft de minister de aanvraag van eiser mogen afwijzen?
6.1.
Uit artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) volgt dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid wordt verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van de minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.
6.2.
In paragraaf B7/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) is vermeld dat de minister aanneemt dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, zoals bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Dit is verder uitgewerkt in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc waaruit volgt dat in ieder geval wordt aangenomen dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen.
6.3.
Uit de verklaring van het onderzoek van 6 juli 2023 blijkt dat de geboorteakte 1 van eiser mogelijk niet bevoegd is opgemaakt en dat paspoort 1 van eiser mogelijk frauduleus is verkregen in het geval de geboorteakte 1 ten grondslag heeft gelegen aan de verkrijging van paspoort 1. De rechtbank overweegt dat eiser hier geen beroepsgronden tegen heeft aangewend. Eiser heeft weliswaar andere documenten gedeeld ter onderbouwing van de relatie tussen hem en referent, maar deze documenten volstaan niet om de familierechtelijke relatie aan te tonen. Verder is eiser in zijn beroepsschrift niet ingegaan op de uitkomst van het onderzoek door BD. De minister heeft zich dus op het standpunt mogen stellen dat de identiteit van eiser en de familieband tussen eiser en referent onvoldoende is aangetoond.
7. Ten aanzien van de door de gemachtigde van eiser op 7 april 2026 aanvullende gronden van beroep met een nieuw paspoort (paspoort 3), een nieuwe geboorteakte (geboorteakte 2) en een aangifte van verlies van het paspoort volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat zonder nader onderzoek door BD geen standpunt kan worden ingenomen door de minister. Eiser heeft deze stukken kort voor de zitting in beroep overgelegd, terwijl deze ruim daarvoor al voorhanden waren zonder dat eiser hiervoor een verklaring heeft gegeven. De rechtbank laat deze stukken dan ook buiten beschouwing.
8. Tot slot overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 3.22, eerste lid, van het Vb referent duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan moet beschikken. [2] Het is niet in geschil dat niet aan dat middelenvereiste wordt voldaan. Referent ontvangt namelijk een uitkering in het kader van de Participatiewet (hierna: Pw). Die inkomsten vallen dus niet onder zelfstandige middelen van bestaan. Het is niet gesteld, noch gebleken dat referent op grond van artikel 3.22, tweede lid Vb en hoofdstuk B7/2.1.1. van de Vc had moeten worden vrijgesteld van het middelenvereiste. [3]
9. Aangezien niet aannemelijk is geworden dat eiser het biologische en/of wettelijke kind is van referent, kan ook niet worden vastgesteld dat familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. Daarom hoeft de minister de belangen van de Nederlandse Staat ook niet af te wegen tegen de belangen van eiser. [4]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Dit volgt ook uit artikel 3.13, eerste lid, van het Vb, waaruit volgt dat referent van het minderjarige kind moet voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikelen 3.16 tot en met 3.22a van het Vb.
3.Iemand kan worden vrijgesteld van het middelenvereiste als de referent blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. De minister neemt in ieder geval aan dat de referent blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling conform artikel 9 van Pro de Pw te voldoen als de referent vijf jaar door het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 9, tweede lid, van de Pw volledig ontheven is van de verplichting bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw (plicht tot arbeidsinschakeling), en als gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van de referent niet binnen één jaar is te voorzien.
4.Zie uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5-5.2 en ECLI:NL:RVS:2024:1189, r.o. 7.