ECLI:NL:RBDHA:2026:12896
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Dublinbesluit
De minister van Asiel en Migratie heeft op 30 maart 2026 een besluit genomen om de aanvraag van eiser tot een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 behandeld, waarbij de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren.
Tijdens de procedure heeft de minister gemeld dat eiser op 9 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan dat zij op 3 april 2026 voor het laatst contact had met eiser, die op de hoogte was van de zitting. De rechtbank overwoog dat het vertrek zonder bekendmaking van verblijfplaats doorgaans betekent dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.
Omdat eiser ook niet ter zitting is verschenen en geen contact meer onderhoudt, concludeerde de rechtbank dat er geen rechtens te beschermen belang meer is bij de beoordeling van het besluit. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.